Pubers

We staan in de vertrekhal van rederij Wagenborg op de veerboot naar Ameland te wachten. Om ons heen staat een groep schoolkinderen van dertien, hooguit veertien jaar. Mavo-leerlingen op weg naar een werkweek, schat ik zo. De jongens staan bij de jongens en de meisjes bij de meisjes.
Uit hun midden duikt een meisje op dat doelgericht naar één van de jongens toeloopt. Ze slaat haar armen om hem heen en drukt zich innig tegen hem aan. Hij legt wat aarzelend ook zijn armen om haar schouders. Dan zie ik het gezicht van de jongen. Hij is wel blij verrast door haar affectie maar toch liever niet op deze plaats en tijd. Hij weet eigenlijk niet waar hij het zoeken moet.
Maar hoe zit het met de actie van het meisje. Heeft ze gewed met haar vriendinnen dat ze dit wel durft. Of laat ze zien dat zij deze aantrekkelijke jongen heeft veroverd en wil ze daarmee haar vriendinnen de ogen uitsteken. Het is ook mogelijk dat ze zo verliefd is dat ze nergens anders aan kan denken.
Ik bedenk dat ik op die leeftijd ik net zo’n jongen was, verliefd maar nog zonder idee wat daarmee aan te vangen.
Achter de groep jongelui gaan we aan boord. We vinden een zitplaats aan een raam. Buiten zie ik de kolkende schuimsporen die de schroeven van de veerboot maken in de haven. De onstuimige wind slaat regenvlagen tegen de ramen, de druppels kruipen onrustig over het glas.

Rock en roll
De aftandse Citroën Break scheurt met 140 kilometer per uur over de autobahnen van Sleeswijk Holstein richting Hamburg. De wagen is volgeladen met vier leden van een Amsterdamse rockband en hun loodzware aparatuur.
Ze zijn op weg naar huis na een rumoerig optreden in Flensburg aan de Deense grens. Ruig volk daar, een paar vechtpartijen in het publiek hadden de sfeer geen goed gedaan. Zo ging het er wel vaker aan toe bij optredens in kroegen op het platteland eind jaren '60. Niet gemakkelijk maar het verdiende goed.
Alleen de chauffeur is wakker, vermoeid volgt hij de lichtbundels in het nachtelijk duister. Hij wil zo snel mogelijk naar huis. Muziek maken is wat hij het liefste doet maar dit is geen leven meer. Drugs voor de kick en om wakker te blijven. De P.A. die veel te hard stond en waarvan zijn oren zijn oren nu nog tuitten. En dan was er nog een meisje, aantrekkelijk en uitdagend dat zich aan hem opdrong. Hij wilde gewoon naar huis even niks aan zijn kop, muziek luisteren, wat gitaar spelen.
Ineens staan alle zintuigen op scherp. In de lichtbundels van de auto stapt, veel te dichtbij, een hert met een enorm gewei de weg op. Instinctief geeft hij geen ruk aan het stuur. De veel te zwaar beladen wagen zou bij deze snelheid geheid van de weg raken.
– dit is het einde –
Het hert wendt zijn kop af en doet een sierlijk pasje terug, niets aan de hand.

Vertrouwen

Vanuit het raam van mijn werkkamer kan ik, staande, een deel van de haven, de Waddenzee en de wisselende wolkenluchten overzien.
Zittend aan mijn werktafel blijven de wolken in beeld, de voorgrond is beduidend prozaïscher. Rechts van het braakliggende stuk bouwterrein achter ons huis, jachtterein van de buurtkatten, ligt het parkeerterrein van Albert Hein.
Op het plateau van de AH vlaggenmasten, net buiten de slagbomen, staat nu al twee weken een motorfiets. Hij is me de tweede dag al opgevallen omdat het een opvallend exemplaar is. Matzwart motorblok en frame met knalgele accenten op het voorspatbord en de benzinetank. Het draagt een Zwitsers nummerbord. Ik vermoed dat die Zwitser naar een van de eilanden is afgereisd.
Je vraagt toch om problemen wanneer je een dure motorfiets twee weken onbeheerd aan de weg laat staan? De motor staat min of meer op het AH terrein maar wel pal aan de openbare weg. Kennelijk beoordeelt hij het risico anders dan ik zou doen.
Terwijl ik dit schrijf, kijk ik op en zie een in het zwart geklede man de motor bestijgen. Hij zet zijn voeten op de grond, recht zijn rug en legt de vingertoppen van zijn gehandschoende handen voor de borst gevouwen tegen elkaar. Zo blijft hij nog even zitten. Uiteindelijk rijdt hij kalm en met een beschaafd geluid weg.

Brain Drain

We zitten midden in de immigratiegolf uit Afrika en het Midden-Oosten, een onrustbarend proces. In de Volkskrant wordt ingegaan op een kwalijk aspect voor de landen van herkomst. Het zijn veelal jonge, goed opgeleide mensen die vertrekken. Mensen die deze landen hard nodig hebben.
De uitdrukking 'brain drain' viel me op.
Ik weet nog wanneer ik hem voor het eerst hoorde. Het zal in het midden van de jaren '50 zijn geweest. Veel academici, vooral medisch specialisten en vooraanstaande bèta wetenschappers vertrokken van de Nederlandse universiteiten naar de Verenigde Staten. Daar verdienden ze meer.
De overheid zag dat met lede ogen aan, want wij konden ze niet missen. Ze besloten de salarissen van hoogleraren en specialisten drastisch te verhogen om deze migratie tegen te gaan.
Dat had een merkwaardig neveneffect, ook wetenschappers waarop de VS helemaal niet zaten te wachten, kregen opeens veel hogere salarissen. Zo ook mijn vader die als godsdienst-historicus aan de Leidse universiteit was verbonden.
Nu had hij al voor de tweede wereldoorlog socialistische idealen. Hij was lid van de SDAP geweest en stemde later trouw PVDA. (Ver voordat Wim Kok de ideologische veren liet stuiven.)
Vader vond het maar onzin, waarom zou hij zoveel salaris ontvangen. De wetenschap was hem dierbaar en hij werkte niet voor geldelijk gewin.
Toen hij in het jaar daarop zijn belastingaanslag kreeg, belde hij de inspecteur. Hij vroeg hem waarom hij over al dat geld zo weinig belasting hoefde te betalen. Was er misschien sprake van een vergissing?
Menigeen zal dat als een naïeve daad beschouwen maar ik ben er van overtuigd dat hij het oprecht meende.

Angst

Die middag had Aad vrij van de ambachtsschool waar hij voor metaalbewerker leerde. Zijn voorland was de scheepswerf waar bijna iedereen uit de buurt werkte.
Hij besloot te gaan roeien in de boot die zijn vader in zijn jonge jaren had gebouwd. De roeispanen stonden in de schuur en toen hij ermee wegliep zei zijn moeder als altijd: 'Op tijd thuis voor het eten, Aad.'
Hij roeide naar de haven en dacht; ik ga eens even buitengaats. Het weer was rustig en de zee glad.
– Niemand te zeuren aan mijn kop hier. –
In het ritme van zijn slagen vervloeide de tijd. Opeens rilde hij en keek om zich heen. Waar waren de havenmond en de dijk gebleven. Een paar tellen later werd er rondom een loodgrijze muur opgetrokken. In een ademloos moment voelde hij dat er iets helemaal mis ging.
– Rustig blijven, waar zag ik voor het laatst land? –
Voorzichtig wendde hij de steven. Na een poos keek hij weer eens om, nog steeds in het grijze niets.
– Niet in paniek raken, anders kan ik het wel schudden. –
Een eindeloosheid later meende hij iets te horen, liet de riemen zakken en luisterde. Een zwak geluid van hamerslagen met een metalige weerklank. De werf.
Hij draaide zijn hoofd om de richting te bepalen en paste zijn koers aan. Af en toe controleerde hij of het geluid sterker werd. Door de mistflarden zag hij opeens een glimp van de havenmond.
'Je bent nog net op tijd, zei moeder, anders had ik je zonder eten naar boven gestuurd.'

Leiter

De Waddenkust beleef je het best bij eb. Ik fiets onder een oerhollandse lucht langs de dijk op Ameland. Knobbelige patronen en zanderige strekken worden afgewisseld met ondiep water waarin wolken weerspiegelen. Zo zag de wereld er uit tijdens de schepping.
Daar klopt natuurlijk niets van. Onder de waddenbodem lopen gasbuizen, elektrische leidingen en datakabels. Hij wordt omgeploegd door vissers en doorboord door multinationals. Waterstaat laat de vaargeulen voortdurend uitbaggeren.
Dat zet ik nu maar even van mij af, het is mooi weer en de illusie is aantrekkelijk. Totdat het geluid van een elektronisch versterkte stem zich aandient. Van de in de wind verwaaiende woorden meen ik 'Jezus' en 'Brot' op te vangen.
Na een bocht zie ik bovenop de dijk een verhoogde parkeerplaats. Op het met gras bedekte talud zit en ligt een groep jongelui. Aan de voet staat een man gehuld in een versierde kazuifel achter een met linnen en religieuze parafernalia gedekte tafel. Hij heeft een microfoon in de hand.
De leeftijd van de toeschouwers zal tussen de tien en twintig jaar zijn, niet veel ouder. Een groep blonde, Duitse jongelui op vakantie. Sommigen dragen oranje fleece truien met op de rug in zwarte letters het woord 'Leiter'. Zo nu en dan nodigt de voorganger de jongelui uit om naar voren te komen en een geloofs-getuigenis af te leggen. Steeds komen er op zijn oproepen meerdere jongelui naar voren.
De lokatie is door deze Jezus uitbater perfect gekozen. Zijn publiek kijkt weliswaar op hem neer maar daarachter vertoont zich de beste illustratie van goddelijke alomtegenwoordigheid die je kunt bedenken. Stapelwolken boven het blinkende wad. Zo kun je je de hemel voorstellen.
Ik besluit door de polder terug te fietsen.

Lobbes

Er komt me een kolossale man tegemoet lopen, een reus. Hij heeft het lobbesachtige voorkomen van iemand met een te groot lichaam voor zijn bescheiden ego.
Een vrouw trippelt naast hem en het is in een oogopslag te zien wie er aan de leiding is. Haar kin is op gelijke hoogte met zijn navel. Als ze wat zegt buigt hij zich naar haar over om niets te missen. Een tas van een schoenenwinkel draagt hij een eindje van zijn lichaam af.
Wanneer ze voorbij zijn kijk ik ze even na. Hij loopt wat ongemakkelijk alsof hij voortdurend op zijn hoede is haar niet te beschadigen. Een halve krabbengang, hij moet meekomen maar ook steeds naar haar luisteren.
Het is gissen naar de aard van hun relatie, gesteld dat het een paar is. Ik denk het wel, zo vertrouwd ziet het er wel uit. Ze hebben schoenen voor hem gekocht, niet voor haar. Op zo'n missie kan ze hem niet gebruiken. Om te voorkomen dat hij met het verkeerde schoeisel thuiskomt vergezelt ze hem noodgedwongen.
De enige gedachte die hem in de winkel beheerst, is: 'hoe kom ik hier weer weg?' Er is toch al niet veel keus in de reuzenmaat die hij nodig heeft.
Hij is al eens thuisgekomen met schoenen die niet goed pasten. De verkoper had hem bezworen dat het na een paar dagen inlopen zou overgaan. Ze wilde hem terugsturen, daar keek hij heel ongelukkig bij. De schoenen staan nog altijd als nieuw in de kast. Hij ziet ze niet meer, zij wel.

Smeren

Lang geleden, in de jaren '90, maakte ik een afspraak met de huidarts. Mijn door de zon verbrandde voorhoofd vertoonde pijnlijke plekken. In het plaatselijke ziekenhuis, in Harlingen, was het in de overvolle wachtkamer een gezellige bedoening. De mensen kenden elkaar en maakten een praatje.
De specialist werkte met zijn assistente in dezelfde ruimte achter een kamerscherm. Steeds verdween een van de wachtenden achter het scherm en kwam even later weer tevoorschijn met een pleister op het hoofd. Voorafgaand aan deze verschijning hoorde ik de dokter steeds dezelfde, onverstaanbare tekst mompelen.
Eindelijk was het mijn beurt. De dokter bekeek mijn voorhoofd, krabbelde met een pincet wat aan de korstjes, deed iets in een glazen buisje en zei: ‘Ik zie het al, dat is zo gebeurd. Zijn instrumentarium was eenvoudig. Op een tafel stond een huiselijk aandoende thermoskan, een schaal met stokjes en een pak watten. Hij rolde een plukje watten op een stokje, schroefde de thermoskan open en doopte het watje erin. Het kwam licht rokend weer tevoorschijn en daarmee depte hij de ruwe plekken.
‘Ziezo’, zei de dokter. ‘Vóórtaan goed smeren, meneer.’ De assistente deed er een pleister op en ik kon gaan.
‘Volgende patiënt.’
Jaren later lijd ik aan hetzelfde euvel. Ik bel met het gerenoveerde streekziekenhuis voor een afspraak. In de ontvangsthal krijg ik instructies aan de balie. Via de groene route kom ik bij nummer 212 van de poliklinieken.
De dokter ontvangt mij in een steriele behandelkamer. Hij drukt mij de hand en kijkt naar mijn voorhoofd, krabbelt aan het pijnlijke plekje en doet iets in een buisje. Dat ken ik al. Uit een koelkast haalt hij een spuitbus. Die richt hij van dichtbij op mijn voorhoofd. Pssst. Pleister erop, klaar. De afscheidsgroet ken ik ook nog. ‘Goed smeren, meneer.’

Stemming

De zon heeft eind februari al flink wat kracht en het weer is aangenaam. Ik wandel als gewoonlijk naar de Zuiderpier. Daar aangekomen kijk ik uit over de zeedijk en het Harlinger strand. Nou ja, er ligt een strook zand dat hier vijftig meter breed is en over een kilometer of zo uitloopt op niets.
De Harlingers zijn er blij mee. Bij mooi zomerweer liggen er zonaanbidders, jongelui of ouders met hun kinderen. Op dit moment is het een vrolijke drukte. Op het strand ravotten honden en hun bazen maken een praatje. Verderop, op de dijk bij Strandpaviljoen Zilt, zie ik een bonte verzameling wandelaars en fietsers.
Ik besluit niet de pier op te gaan maar me tussen de mensen te begeven. Op een bankje koestert een jong paar zich in de zon. Een moeder wandelt met haar dochter, hun armen in elkaar verstrengeld. Alles is goed en we leven in vrede met elkaar.
Na een poosje, in de buurt van het paviljoen zie ik steeds minder mensen. Als ik eraan kom gaan ze opzij en we passeren elkaar zonder groet. Het lijkt wel of ze me vermijden. Als het strand ophoudt draai ik me om en ga terug. Het opgewekte gevoel is verdwenen, iedereen is alleen met zichzelf bezig.
Dan kijk ik op, het strand is nog steeds druk met spelende honden en hun kletsende bazen. In de verte zie ik het slingerende lint van de Zuiderpier in zee verdwijnen. De vuurtoren markeert de plek waar ik woon.

Ganzen

Een enkeling zal zich het bijzondere radioprogramma 'De gezamenlijke zenders Peazens en Moddergat' van de VPRO herinneren. Maar de enige zendmast in de buurt van die dorpen in NW Friesland staat bij Nes dat een paar kilometer westelijker aan de waddenkust ligt.
Nes is een onderdeel van de gemeente Dongeradeel. Een streek met een mij dierbaar landschap, waarbij ik de aanvullende info geef dat 'dong' in het Fries mest betekent.
Op een ijskoude winterdag, eind tachtiger jaren, reed ik er naar toe en zag dit tafereel. Ganzen vlogen in een kring rond alsof ze aan het vergaderen waren over de vraag waar de reis nu heen zou gaan. Ik was er nog te ver vanaf om een foto te maken.
Zonder veel hoop op succes reed ik door. Ik stapte een eind verderop uit en de ganzen vlogen nog in dezelfde formatie. Mijn camera was opgetuigd met een wijdhoek lens waarmee de ganzen hooguit als stipjes op de foto te zien zouden zijn. Geen tijd te verliezen. Telelens uit de tas nemen, de wijdhoek eraf - de andere erop. Dat kost al gauw een minuut. Ze waren er nog.
Zonder verder na te denken koos ik voor deze compositie en drukte af. Na de klik hernamen de ganzen hun vertrouwde V formatie en vertrokken.

GMC

Het overkwam ons in het najaar van 1961, mijn vriend en ik vervulden balsturig onze militaire dienstplicht. De kazerne stond in Harderwijk en op een avond liepen we langs de IJsselmeerdijk.
Het weer was zacht en we besloten te gaan zwemmen. Een boei in de havenmond leek dichtbij. Dat klopte niet want toen we er aankwamen waren we ijskoud en doodop. Uiteindelijk klom ik totaal verkleumd weer tegen de dijk op waar mijn vriend verdwaasd om zich heen keek. Hij kon zijn kleren niet vinden.
Onderweg naar de kazerne ontdekten we een autokerkhof met legertrucks uit de tweede wereldoorlog. Amerikaanse GMC's, 'Willys Overland' jeeps en dergelijke. We vergaten de kou en klommen over het hek. Een gehavende truck trok onze aandacht en ik ontdekte een kogelgat in de voorruit aan de kant van de bestuurder.
Uiteindelijk kreeg de kou weer de overhand. De volgende ochtend had ik koorts en ik moest van de hospik drie dagen in bed blijven.
Het daarop volgende weekend mochten we niet met verlof. We probeerden de plaats van het autokerkhof te reconstrueren en gingen op pad. Hier zou het moeten zijn. Er stond wel een hek maar er waren geen autowrakken.
In een naburig café deden we navraag. Nadat we een pils hadden besteld vroeg ik aan de cafébaas. 'Is er hier in de buurt een autokerkhof voor oude legerwagens?' De man keek me wat bevreemd aan en zei: 'Dat is er wel geweest - hij wees in de richting van het hek - maar het is al jaren geleden opgeruimd.'

Dialoog

Op de foto zie je de schaduw van een paar patat etende mensen. De zon gaat bijna onder en dat verklaart de warme kleur. Ze zitten op een bankje aan het begin van de promenade in Harlingen waar een hellingbaan naar het Havenplein voert. Ik sta recht onder hen met mijn rug tegen de kademuur.
Zij hebben geen vermoeden van mijn aanwezigheid. Eerst ben ik verdiept in het maken van de foto. Ik wil dat een van beiden een patat in de mond steekt wanneer ik afdruk. Dat kost een paar opnamen.
Dan zegt de vrouw boven mijn hoofd duidelijk verstaanbaar, het zijn een man en een vrouw: ‘Je weet toch dat het afbreukrisico groot is.’ Heeft ze het over de patat of zijn ze werkelijk in gesprek over iets belangrijks?
‘Dat kan ik me niet voorstellen. Het zal wel wat meevallen.’ ‘Niks meevallen, je wilt alleen maar weg van je baan bij Wiegtothetgraf. Laten we eerst maar eens op vakantie gaan en dan zien we wel of je er nog zo over denkt.’
Met een vermoeide stem hoor ik hem antwoorden: ’Ik wil vooral met vakantie van mezelf.’

Automobiel

Het Michelin mannetje is oud geworden. Ik kwam hem onlangs tegen als fossiel in het beton van de Zuiderpier, als asfaltvlek. Logisch als je tientallen miljoenen kilometers over snelwegen hebt geraasd. Zijn obese gestalte had hij behouden maar het karakteristieke profiel was afgesleten.
Hij is het oudste en misschien wel het bekendste icoon van de automobiel cultuur, beconcurreerd maar niet ingehaald door de spaarzaam geklede dames van de Pirelli kalenders.
Het auto tijdperk loopt op zijn eind. Voor een aantal mensen is het merk en de prijs van hun auto nog steeds de bevestiging van hun identiteit. Ze geloven er heilig in maar ze weten niet dat ze binnenkort tot de losers zullen behoren.
De autofabrikant 'Tesla', van de elektrische sportwagens, begrijpt dat al wel. Die heeft zich onlangs in de markt van duurzame energieopslag begeven.
De elektrische auto zal achterhaald zijn voordat hij echt ingeburgerd is. Wat moet je ook met een auto die een stopcontact nodig heeft. De associatie met een stofzuiger dringt zich al snel op. De zichzelf besturende en navigerende auto is gedurende een korte tijd wellicht een sexy variant. Maar voor hoelang?
Ik weet ook niet wat het vervolg zal brengen. Het internet? Gedeeltelijk, maar we blijven mensen van vlees en bloed. We willen ergens heen, elkaar zien en soms nog aanraken ook.

Barbara

Het zal 1956 of '57 zijn geweest.
Hoewel ik door tweemaal zittenblijven geen leerling meer was van het Leids Gymnasium wilde ik toch naar het kerstbal van die school. Mijn oud klasgenoten hadden daar geen bezwaar tegen. De reden van mijn wens was simpel, ik was verliefd op Barbara.
Ik belde haar op en nodigde haar uit. Ze aarzelde even en zei toen 'ja', ze moest het nog wel even met haar ouders overleggen. Na een paar dagen riep mijn moeder me en zei: 'De moeder van Barbara heeft gebeld of je vanavond om halfacht langs wil komen.'
Ik deed het donkerblauwe pak aan dat ik naar dansles droeg. Das netjes geknoopt en zo voelde ik me een beetje gewapend. Ik belde aan bij een deftig herenhuis aan het Rapenburg. Haar moeder deed open en loodste mij naar de eerste verdieping. 'Klop maar op die deur, mijn man zal je ontvangen.'
Een stem bromde dat ik binnen mocht komen. Achter een groot bureau zat haar vader. Hij nodigde me niet uit om te gaan zitten en monsterde me van top tot teen terwijl ik voor hem stond.
'Zo, jij wilt dus met Barbara naar het Kerstbal maar je zit daar niet op school.'
'Ik heb het gevraagd en ze vonden het geen probleem.'
'Op welke school zit je nu dan?'
'Het Huygens Lyceum in Voorburg.'
'Hmmm. Het is wel goed, maar ze moet op tijd thuis komen.'
Hij boog zich weer over zijn papieren en het gesprek was afgelopen. Ik liep naar beneden en daar was moeder weer die mij uitliet.

CAAC

Na een zoektocht staan we in een park met een wonderbaarlijke verzameling gebouwen. Achter een rijkelijk versierd, monumentaal landhuis rijzen een fabrieksschoorsteen en een aantal flesvormige bouwsels op. De laatste zijn kalkovens denk ik.
Door een poort, die ook een kapel huisvest, komen we op een ruime binnenplaats. Een bord geeft aan dat we ons op het terrein van het CAAC, het belangrijkste museum voor moderne kunst in Andalusië, Spanje bevinden. De ingang naast het bord geeft helaas alleen toegang tot een restaurant.
Wat nu, er zijn diverse andere ingangen op het plein. Na een paar pogingen sta ik in een bedompte ruimte waar een man achter een balie zetelt. Hij verkoopt me met tegenzin twee toegangskaarten voor € 3,01 per stuk. Ik word na een vruchteloze woordenwisseling, hij spreekt geen woord Engels, weer naar buiten verwezen.
We vinden een monumentale kerkdeur. Er hangt een dik, bruin zeil voor het kleine deurtje dat openstaat. Mijn vrouw duwt het opzij en we worden opgewacht door een suppoost die onze kaartjes nauwgezet bestudeert. Ook zij spreekt geen woord Engels en we gaan op goed geluk verder.
Na een volgende binnenplaats en een ruimte met gebeeldhouwde sarcofagen bereiken we een aantal ruime, modern ingerichte, expositieruimtes. De kalkovens dringen zich hier en daar met bolle wangen door de muren van de zalen heen.
Het tentoongestelde betreft vooral conceptuele fotografie en videokunst. Na anderhalf uur willen we wel weg. De surrealistische omgeving is interessant genoeg maar we kunnen niet meer conceptuele kunst aan.
We volgen de borden Salida/Exit. Die leiden ons langs nog meer ongeziene tentoonstellingszalen, niet naar een uitgang. Uiteindelijk gaan we moedeloos op een borstwering zitten. Aan de overkant zie ik een opening zonder nadere aanduiding. Ik ga naar binnen en dan sta ik weer in het kamertje van de kaartjesverkoper.

Werelderfgoed

Op een mooie dag in Sevilla, Spanje besluiten we het 'Archivo General de Indias' te bezoeken. Daar liggen alle documenten opgeslagen met betrekking tot de gewezen Spaanse koloniën in Zuid- en Midden Amerika. Het gaat mij niet om die geschiedenis maar omdat het gebouw een bijzonder interieur en trappenhuis bezit. Het is door UNESCO aangemerkt als Werelderfgoed.
Er staan gelukkig geen rijen toeristen voor. Resoluut worden we naar binnen gewenkt door een geüniformeerde dame. Bij de entree moet ik mijn rugzak afgeven dat door een röntgen apparaat wordt gesluisd. We worden door een detectiepoort gedirigeerd en daarna gefouilleerd. Behalve op vliegvelden heb ik dat alleen in het Joods Historisch Museum te Berlijn meegemaakt.
Zijn ze bang voor Indiaanse terroristen die verhaal komen halen? De Indianen hebben er genoeg reden voor maar ik heb er nooit iets over gehoord. Of zijn ze bang voor een aanslag door de ETA? Dat ligt toch niet voor de hand, lijkt me.
Het statige trappenhuis is prachtig afgewerkt met kleurige soorten marmer. Boven is een model opgesteld van het schip 'Santa María' waarmee Columbus Amerika heeft ontdekt. Het is uitgevoerd in goud en zilver. Een nogal smakeloze materiaalkeuze als je bedenkt wat de Spanjaarden daar hebben uitgevreten.
Het archief beslaat verder een aantal imponerende ruimtes met gewelfde plafonds. Langs de wanden staan eindeloze kastenrijen met archiefdozen. Dan valt het mij op dat die dozen er nogal nieuw uitzien. Ze dragen ook geen inventarisnummers of andere opschriften. Ik klop er eens op, ze klinken hol.

Dutch Mountains

We rijden van Harlingen, via Sexbierum, Vrouwenparochie en nog wat van die dorpen in NW Friesland naar Holwerd om daar de boot naar Ameland te nemen. Onderweg zijn er voortdurend snelheidsbeperkingen en omleggingen in verband met werkzaamheden aan de weg. Overal staan draglines, shovels en andere préhistorisch aandoende monsters geparkeerd.
Elders op de uitgestrekte velden in het boerenland zie ik meer van die machines. Een aantal is ook op zondag aan het werk. De boeren égaliseren het land alsof hun leven ervan afhangt. De religie van een efficiënte bedrijfsvoering verschaft het motief.
Nederland is al vlak van zichzelf maar we zullen niet rusten tot ons deel van het aardoppervlak er als een biljartlaken bijligt. Dan zullen de hoogteverschillen alleen nog bestaan uit ongelijkvloerse kruisingen, aquaducten en andere kunstwerken van Rijkswaterstaat.
Is dat erg? Eindelijk is dan bereikt waar we al eeuwen mee bezig zijn. En dat door middel van wat de oprechte Nederlander het mooist denkbare verzetje vindt. Grondverzet dus.
En al die torenhoge gebouwen dan, zij staan toch ook in ons landschap? Die tellen niet mee, bouwwerken zijn stoffering. Ze staan daar maar tijdelijk, op een paar na, zoals de Dom van Utrecht. Kantoren en fabrieken bereiken zelden de honderd jaar. Voor die tijd zijn hun eens baanbrekende concepten versleten.
Het volledig uitgevlakte land zal niet opnieuw geaccidenteerd raken. Alleen de dijken eromheen zullen steeds hoger worden. Dat zijn de echte 'Dutch Mountains'.

Angsthaas

Een jongeman staat weifelend voor een herenmodezaak. Hij kijkt in de etalage zonder iets te zien. Zal ik wel, zal ik niet? Het zweet staat hem op het voorhoofd, hij draait zich om wil weglopen. Na twee passen bedenkt hij zich en stort zich in het avontuur. Binnen kijkt hij zoekend om zich heen. Hij vindt de rekken met broeken niet.
Een winkelbediende observeert het tafereel een ogenblik en gaat erop af.
'Kan ik iets voor u doen?'
De jongeman schrikt op, hij heeft hem niet horen aankomen. "Eh, ik zoek een broek, maar geen spijkerbroek, een beetje een nette.'
'Heeft u een kleur in gedachte.'
'Eh, een grijze denk ik.'
De bediende voert hem mee naar een rek vol pantalons. 'Wat voor maat heeft u?' Hij bloost en stamelt dat hij het niet weet. De bediende neemt hem even op, pakt een centimeter en doet die om zijn middel. Dan buigt hij zich voorover en meet de hoogte van taille tot op de schoenen.
Met een rood hoofd ondergaat hij de kwelling. De bediende pakt een broek uit het rek en hangt hem weer terug. Bedachtzaam scant zijn blik de rij met pantalons, pakt er weer een en zegt. Deze is uw maat denk ik, u kunt hem daar in het hokje wel passen.
Hij bekijkt de broek vluchtig en zegt: Nou deze lijkt me goed, ik pas hem thuis wel. Hij rekent af en maakt dat hij wegkomt. Thuis zakt de broek hem direct van zijn billen en paniek slaat toe. 'Ik ga hem niet ruilen, ik doe er wel een riem om.'

Vreemde vogel

In de stoptrein van Leeuwarden naar Groningen stromen bij de eerste stations, Camminghaburen, Hurdegaryp en Veenwouden, studenten naar binnen. Ze zoeken een plaats en voegen zich bij vrienden en bekenden. Ik observeer ze onopvallend, tenminste dat hoop ik toch.
Aantrekkelijke jonge vrouwen en naar ik aanneem dito jonge mannen. Een gedachte dringt zich op: deze jongelui zijn mooier dan wij waren op die leeftijd. Ze hebben de onberispelijke gebitten van een beugelbekjes generatie en een gezonde, gave huid. Het zijn natuurlijk stuk voor stuk individuen, maar toch, voor mij lijken ze op elkaar.
Nu werkt het weer in deze wintermaand ook niet mee. Het is guur en het regent. De studenten zijn gekleed in survival jacks die ze aanhouden tijdens de reis.
Aan de andere kant van het gangpad neemt een jongeman de laatste twee plaatsen in. Hij doet zijn rugzak af en trekt omstandig zijn jack uit. Opeens staat daar een man in een T-shirt met Hawaï motieven. Zijn dikke, blote armen detoneren in het beeld.
Als hij onderuit op de bank is gezakt, trekt hij een waaier van gespleten bamboe en Oosters gedecoreerd papier tevoorschijn. Met gesloten ogen wuift hij zichzelf koelte toe.

Wandeling

In de hoofdstraat van Harlingen verwaaien flarden van Sinterklaasliedjes in de ijzige wind. Een opgewekt kinderkoor laat tevergeefs 'Hoort wie klopt daar kinderen' tussen de wanhopig versierde etalages opklinken.
Het is niet bijzonder druk, zo vlak voor de feestdagen. De webwinkels hebben ook hier grote gaten geslagen in de middenstand. Veel winkels staan leeg en op een aantal panden hangt een kleurige poster met het opschrift: 'Dit kan jouw winkel zijn. (Ook Horeca)' 
Bij de HEMA verspreidt de Vietnamese loempiaverkoper vanuit zijn snackwagen exotische geuren. Hij doet meestal goede zaken maar nu is er niemand te zien. Voor de vaste bloemenkiosk staan kouwelijke emmers met Chrysanten. In de kraam met kazen wrijft de verkoper zijn handen warm.
Eigenlijk heb ik hier niets te zoeken, ik ben gewoon aan de wandel. Bij de haven is het me vandaag te koud en winderig.
Verderop in de straat zie ik een drietal jongelui aankomen. Een lange jongen heeft een arm geslagen om de schouders van een meisje. Eigenlijk voert hij haar onder zijn oksel met zich mee. Het meisje heeft haar arm stevig om zijn middel geklemd. Een koppel dus. Haar andere arm heeft ze om de schouders van een vriendin gelegd. Die heeft op haar beurt haar arm weer om het middelste meisje geslagen.
Innig verstrengeld bewegen zij zich als een zesbenig wezen vrolijk babbelend voort. Ik vind het een mooi beeld. Hier zien we de overgang van de ene levensfase naar de andere op een harmonieuze manier plaatsvinden.

Rijbewijs

Een persoonlijk aan mij gerichte e-mail van het RDW, de Rijksdienst voor het Wegverkeer, veroorzaakt een gevoel van naderend onheil. Ik krijg de indruk dat ik me, gezien mijn leeftijd, medisch moet laten keuren voor de verlenging van mijn rijbewijs. Niet dat ik iets mankeer maar ik gebruik wel medicijnen waarvan ik denk dat ze het RDW niet welgevallig zijn. En kan ik voor het kritisch oog van een keuringsarts wel tien tellen op een been staan?
Onmiddellijk grijpt de melancholie mij aan. Meer dan vijftig jaar autogereden, honderdduizenden kilometers zonder noemenswaardige schade. Als ik faal voor de test is dat voorgoed afgelopen. Nooit meer zwerven door Nederland, Vlaanderen of Normandië.
Het blijft maar malen in mijn hoofd. Ik herlees de brief keer op keer en vraag me af: Wat bedoelen ze toch? Moet ik me nu wel of niet laten keuren, ik ben nog geen vijfenzeventig maar toch. De tekst geeft geen eenduidig antwoord.
Het duurt lang voordat ik bedenk: Waarom moet ik dit oplossen? Het wordt me aangedaan een ambtenaar die slecht formuleert. Ik ga gewoon als argeloze grijsaard naar het loket van de gemeente en verzoek vriendelijk of ze mijn rijbewijs willen verlengen.
De mevrouw aan de balie stelt een paar vragen, zoekt iets op haar scherm op en zegt: 'Volgens mij hoeft u geen eigen verklaring van gezondheid in te vullen. U heeft geen medische aantekening dus ik zie geen probleem.'
Na het betalen van € 38,50 en het inleveren van een pasfoto krijg ik een briefje waarmee ik een week later een nieuw rijbewijs kan afhalen

© Allaard Hidding 2015