Communicatie

De rivier Guadiana vormt in zuiden de grens tussen Portugal en Spanje, bij Vila Real de Sankt Antonio stroomt hij in zee. De bebouwing op de meest zuid-oostelijke punt bestaat voornamelijk uit vervallen fabriekscomplexen. Golfplaten optrekjes leunen tegen de dakloze gebouwen.
Ik moet er achterlangs om mijn weg te vervolgen. Daar zijn nog een rij kleinere panden intact die een garage en nog wat onduidelijke zaken herbergen. Waar de bebouwing ophoudt liggen schepen en wrakken ordeloos neergesmeten. Aan de andere kant van de weg staat een hoog hek. Er hangt wasgoed aan, tientallen kledingstukken variërend van hemden, broeken tot ondefinieerbare lappen.
Ik kijk om me heen. Op ongeveer dertig meter van de weg ontdek ik een drietal lage tenten. Een zigeunerkamp, neem ik aan. Er staan geen auto’s, wel drie paarden en tweewielige karren. Impulsief neem ik een foto. Tegelijkertijd geneer ik me daarvoor.
Wat verderop kom ik op een kade. Aan de landzijde ligt braakliggend terrein met kreken en moerassige gronden. Na een tijdje hoor ik het geklikklak van paardenhoeven. Ik kijk om en zie een ruiter aankomen.
Als hij dichtbij me is steek ik mijn hand op en zeg ‘Bom dia’. Hij groet terug en houdt in, hij heeft een kind tussen zijn benen zitten. Ik zeg dat hij een ‘nice horse’ heeft en hij vraagt of ik wat geld voor hem heb. Dat was te verwachten. Ik zoek in mijn zakken en vindt een vijf euro-biljet. Met een knikje neemt hij het in ontvangst. Na een paar honderd meter stopt hij bij een geparkeerde camper en wacht me op.
Daarna wordt het onduidelijk. Hij begint indringend tegen me te praten, ik denk dat hij me iets wil verkopen. Maar wat? Hij heeft alleen een kind en een paard bij zich. Ik probeer duidelijk te maken dat ik hem niet begrijp. Hij praat steeds luider. We komen er niet uit. Uiteindelijk vervolg ik gefrustreerd mijn weg.
Ik kijk ik nog een keer om en zie dat hij is afgestegen. Het paard loopt in een kreek en hij keilt het een kluit aarde achterna.

Toerisme

Tavira ligt in de Oostelijke Algarve, aan de monding van de Gilão. Vanaf het busstation lopen we langs de rivier naar het centrum. Dat is goed geconserveerd, al is het toeristische gedeelte wel wat erg opgepoetst. Op deze warme middag begin november heeft een algemene slaperigheid alles in zijn greep. De zon staat laag maar heeft nog kracht.
Op het plein maak ik een foto van een slapende hond. De obelisk waaronder hij ligt is gewijd aan Al Rey D Jose I, die iets moois voor de handel in ‘agricultura’ en de ‘pescadores’ heeft gedaan. (1775) Tenminste dat is wat ik opmaak uit de inscriptie op het voetstuk van de gedenknaald.
Op aanraden van een Nederlands echtpaar maken we een wandeling naar het hoogste punt in de stad. Daar schijnt een bijzonder mooie kerk te staan. Dat valt tegen. Veel bling-bling in plaats van een ingetogen kerkinterieur zoals je die in Portugal ook kunt vinden. Vaak meer Scandinavië dan Zuid-Europa.
Er tegenover bevindt zich een ruïne van een middeleeuwse vesting. Alleen de verdedigingsmuren staan nog overeind. Daarbinnen is een klein, betoverend arboretum aangelegd. Op de zorgvuldig onderhouden perken zijn alle bomen en struiken van uitvoerige labels voorzien.
Even buiten de muren van dit paradijselijke oord lijkt de boom van goed en kwaad zijn beste tijd te hebben gehad. Geen appel of slang te bekennen om deze Adam en Eva tot zonde te verleiden.

Mercado Municipal

Na een korte zoektocht hebben we de overdekte markt ontdekt die in bijna iedere Portugese stad te vinden is. Het is een kleine hal, niet meer dan een handvol groente- en viskramen. Het mist de zwembadgalm van de grote markthal van Loulé. Bij een stalletje helpt een oude vrouw in een duifgrijze jurk met stippeltjes ons aan een paar grote, onregelmatig gevormde tomaten en een komkommer. Met het wisselgeld geeft ze mij twee rijpe vijgen mee.
Een paar dagen later denk ik terug aan de marktvrouw. Ik besluit haar op te zoeken om wat tomaten, vijgen en een ui te kopen. Ze staat nog steeds op dezelfde plek, alsof ze niet is weggeweest. Ik begroet haar en krijg een knikje terug. Drie tomaten en een ui leg ik op de weegschaal en kijk rond wat er verder van mijn gading is.
Ik heb de vrouw naast mij voor de kraam wel gezien maar er geen aandacht aan geschonken. Onverwacht klemt ze haar armen om mij heen en brabbelt met een tandeloze mond harde, onverstaanbare klanken. De vrouw achter de kraam kijkt het aan maar zegt niets.
Voorzichtig probeer ik mij van haar te bevrijden. Na wat getrek en geduw laat ze los en begint wild gebarend met een plastic zak in het rond te slaan. Ze maakt met duim en wijsvinger het gebaar van geld tellen en krijst naar onze verkoopster. Tegelijkertijd probeert ze me mee te trekken naar een andere kraam. Ik geef niet toe en ze verdwijnt uiteindelijk al schreeuwend en zwaaiend met haar tas met groente.
Ik doe een komkommer en een pot honing bij mijn bestelling en reken af. Vijf euro dertig. De oude dame legt twee mandarijnen bij het wisselgeld.

Grut

We zijn onlangs voor de derde maal oma en opa geworden. Dat wil zeggen, de eerste twee - Nadia en Ivar - noemen ons pake en beppe.
De jongste spruit is nog maar vijf dagen oud en probeert manhaftig aan de nieuwe situatie te wennen. Dat doet hij, volgens onze dochter, door te drinken, te poepen en te slapen en soms alle drie tegelijkertijd.
Nu ja, vijf dagen op deze wereld.
Hij heet Lasse, een Scandinavische naam, toepasselijk als hij later de Viking-achtige uitstraling van zijn vader evenaart. Nadia en Ivar bekijken het kersverse neefje met het ontzag van jonge kinderen voor een pasgeborene. Heel voorzichtig aaien ze hem met één vinger over zijn wang. Ivar weet al dat de baby een neefje van hem is en vraagt bedachtzaam: ’Is het dan ook een neefje van Nadia.’
Hij vraagt zich af; kan zijn zusje een neefje hebben of is het dan een nichtje? Nee, legt zijn vader geduldig uit, Nadia is een nichtje van Lasse en Lasse is een neefje van jou en Nadia. Hij geeft het op, zijn aandacht dwaalt weg.
Het is een prachtige dag en we zitten buiten voor de Pipo wagen waarin het jonge gezin tijdelijk verblijft. Ik ga met Nadia en Ivar wandelen in gezelschap van mijn zoon en zijn vrouw. De omgeving is spannend voor kinderen, overal vreemde bouwsels, bijzonder kunstwerken en wonderbaarlijke behuizingen zoals een boot op de kant waarin gewoond wordt.
Na een tijdje vinden Ivar en zijn zusje een veldje met wat zelf geknutselde speeltoestellen. Ze vergeten alles om zich heen en gaan op in hun spel.

Het weer

Na een on-Hollands mooie zomer die maar niet ophield, regent het plotseling ouwe wijven. Overal hoor ik ongeveer het volgende gesprek, bij de kassa van Albert Heijn, bij de bakker en de benzinepomp:
‘Het lijkt wel herfst.’
‘Het is pas half augustus.’
‘Ja, en het blijft voorlopig ook zo.’
Conversatie compleet. We hebben elkaar weer even laten weten dat we tot dezelfde stam behoren. Een oer-Hollandse litanie die per dag net zo vaak wordt gebezigd als het ‘Allah Akbar’ van de moslim.
Een variant die ik ook wel hoor: ‘Er bestaat geen goed of slecht weer, er is alleen maar weer.’ Daar valt weinig op af te dingen. Het zijn vooral stoere mannen die deze zinsnede gebruiken om te laten weten dat ze maling hebben aan kou en regen.
De mensheid levert geen positieve bijdrage aan het klimaat op deze planeet maar het weer naar onze hand zetten kunnen we (nog) niet. Dat is maar goed ook. Als er iets is dat tot een wereldoorlog zal leiden is het dat wel. Ook op nationaal niveau zal het al mis gaan. De boeren willen regelmatig regen maar niet teveel tegelijk. De horeca ondernemer heeft het liefst het hele jaar terrasjes-weer. Beiden hebben sterke economische argumenten. De CDA en de VVD zullen elkaar in de haren vliegen.
Ik kijk door het raam naar de lucht. Achter loodgrijze regenwolken rijzen stralend witte olifanten en dromedarissen op. Mooi, dat weer.

Boeket

Het is een zomerse dag in mei. Een briesje maakt dat het niet te warm wordt in de zon. Zittend op de borstwering aan het begin van de pier kijk ik over het strand en de zee uit. Het is eb, de zee heeft zich wel tweehonderd meter teruggetrokken. Op het wad ligt een heldergele pushpin van reuzenformaat. Het is een boei die bij hoogwater het gebied voor kitesurfers afbakent.
Naast me springt een hond op de borstwering en loopt met zijn baas mee. Eindelijk bevindt hij zich op gelijke hoogte en hoeft hij zijn kop niet meer onderdanig omhoog te draaien. Zo te zien vindt hij dat een aangename ervaring, hij zwaait vrolijk met zijn staart.
Achter mijn rug passeert een man met een in cellofaan verpakte bos bloemen. Ik kijk hem na terwijl hij de pier op loopt. Die is vast niet op weg naar zijn moeder, vrouw of op ziekenbezoek. Tot aan het eind is het anderhalve kilometer en die moet je ook weer terug.
Zou hij die bloemen in zee gaan gooien als daad van piëteit, om zijn op zee omgekomen vader te gedenken? Heeft hij daar afgesproken met een vrouw die hij tot zijn geliefde wil maken?
De besloten ruimte van de pier met aan de ene kant het water van de haven en aan de andere kant de zee roept op tot bespiegelingen. Ik probeer regelmatig het gedrag van van de wandelaars te duiden. Of ik het bij het goede eind heb, kan ik niet weten. Ze aanspreken en het ze op de man af vragen is ook zo wat.

De GVR

Ons huis in Makkum staat leeg en is nog niet verkocht. Ik ben er aan het werk in de tuin. Aan de overkant hangt de buurman de was op.
Ik noem hem in gedachten altijd de GVR, de Grote Vriendelijke Reus naar het gelijknamige kinderboek van Roald Dahl, waar onze dochter vroeger aan verslingerd was. Hij is een lange, breedgeschouderde man - een reus - maar de vriendelijkheid zelve.
In de tijd dat wij er woonden namen hij en zijn vrouw twee Chinese meisjes aan. De eerste werd in een geheel versierd huis binnengehaald. Een altijd blij kind dat gek is op haar vader. De moeder zagen we wat minder maar het meisje was er duidelijk op haar plek.
Een jaar later kwam een tweede Chinees meisje en we hoorden dat er moeilijkheden waren. Het kindje moest direct naar het ziekenhuis om een operatie te ondergaan. Het liep allemaal goed af en de volgende zomer scharrelden er twee peuters door de tuin. Vader had een glijbaan en een schommel geïnstalleerd en het geheel kindveilig ingericht. Op een dag kwam hij van de terug van de JUMBO met de twee meisjes in een winkelwagen tussen de boodschappen. Hij gebaarde breed over de kar en riep vrolijk naar mij: “Vanavond eten we Chinees.”
Als ik klaar ben in de tuin loop ik naar de overkant. Ik vraag buurman hoe het gaat met hem en zijn gezin. Hij vertelt dat de meisjes nu zeven en negen jaar oud zijn. Ze zitten op school en doen het goed. Lachend zegt hij: ‘De oudste spreekt Fries net als mijn vrouw en ik maar de jongste vertikt het. Ze verstaat ons maar geeft antwoord in het Nederlands.’ Zeven jaar oud, dat belooft wat.

Zomeravond

We zitten te eten op het terras van ‘Tante Sweel’, een zich bistro noemende gelegenheid in het Drentse Zweeloo. Onder de lindebomen zitten de tafels vol mensen, een feestelijk gezicht. Het blijken vooral mensen uit de streek of jaarlijks terugkerende vakantiegasten te zijn. De eigenaresse van het restaurant kent veel van hen bij naam en informeert naar het welbevinden van andere familieleden. Dat geeft vertrouwen in zo’n zaak.
Naast ons zit een echtpaar tussen de gangen van het diner door te kaarten. Verderop zit een familie aan een lange tafel die elkaar onophoudelijk fotografeert. In hun midden troont een zorgvuldig geklede en gekapte, grijze dame met het figuur van een fotomodel dat aan anorexia lijdt. Ze gaat opvallend vaak het restaurant binnen tijdens de maaltijd. Volgens mijn vrouw kotst ze dan uit wat ze net heeft binnengekregen.
Schuin tegenover me zitten twee jonge paren. De mannen tegenover elkaar evenals de vrouwen. Ik heb goed zicht op beide dames. Ze zijn nogal verschillend, de een is een wat teruggetrokken brunette. Ze mengt zich nauwelijks in het gesprek. De mannen zijn voortdurend aan het woord. De twee bebrilde dertigers hebben in onvervalst Drents dialect van alles te bespreken. Maar het is vooral de andere vrouw die mijn aandacht trekt. Een levenslustig type, blakend van gezondheid. Ze valt de mannen meer dan eens lachend in de rede.
Ik neem haar eens goed op en zie moeiteloos de statige matrone die ze ooit zal zijn. Een vol, blank gezicht met een stevig postuur gehuld in een bloezende jurk die een ruim gevulde boezem doet vermoeden. Op haar nek en schouders zit een speklaag, een onderkin is in aanbouw. Ze heeft haar stralende ogen een beetje opgemaakt en haar hoofd is gekroond met een helblond stekeltjeskapsel dat met gel rechtop is gezet.

Omgangsvormen

Na een voorlichtingsbijeenkomst over een nieuwbouwproject in mijn buurt sta ik te praten met de architect van het plan. Mijn huis is onderdeel van een project dat hij eerder heeft ontworpen. Het compliment dat ik hem daarover maak, neemt hij wat verbaasd in ontvangst. Dat overkomt hem kennelijk niet vaak. Maar het is gemeend en we praten verder over het actuele plan.
Opeens komt er een man tussen ons in staan, spreekt de architect aan en negeert mij. Zo op de rug gezien lijkt het wel een nette vent, tweedjasje met overhemd, verzorgde haardos.
Geërgerd doe ik een stap opzij en richt me tot de architect die me wat ongelukkig aankijkt. Omdat ik geen zin heb in een conflict wens ik hem een prettige avond toe en vertrek. De indringer kijkt ongeduldig opzij. Híj is toch in gesprek. We maken het allemaal wel eens mee, mannen die je bijna ondersteboven lopen en vrouwen die ongeneerd voordringen.
Ongemanierdheid kan zich op allerlei manieren manifesteren, zo herinner ik me het volgende voorval. Met een gefortuneerde verzamelaar bezocht ik een tentoonstelling. Daarna zouden we verder praten in zijn huis. Als belangrijk bruikleengever aan het museum waar ik destijds werkte, was het zaak hem met égards te behandelen.
Hij ging eerst met me naar een delicatessenwinkel in de P.C. Hooftstraat in Amsterdam om wat voor de lunch in te slaan. Midden in de winkel maakte hij met zijn arm een weids gebaar dat de hele winkel omvatte en zei luid: ‘Zoekt u maar uit wat u lekker vindt meneer Hidding, het geeft niet wat het kost.’ll

Charlotte

Naast de tanker ADRIA, waarvan de ramen zijn dichtgetimmerd, ligt een kleine coaster. Het is geen schoonheid maar ondanks haar geringe tonnage straalt het schip onverzettelijkheid uit. Dat is vooral te danken aan de compacte bouw en de stompe boeg.
Een laadmast met giek verraadt dat het schip zelf zijn lading kon lossen of laden in havens zonder voorzieningen. Dit bejaarde schip had vroeger houten luiken bedekt met een zeil om de lading tegen overslaande golven te beschermen. Je ziet haar tegen hoge zeeën optornen, iedere golf is er één.
Achter het lager gelegen ruim bevindt zich het stuurhuis en daaronder het verblijf van de bemanning en de machinekamer. Ze sliepen boven de dieselmotor die dag en nacht hoor- en voelbaar stampte.
Charlotte. Wie was ze? De vrouw of dochter van de kapitein/eigenaar of was er een reder in het spel. Ze is oud geworden en heeft de vrouw waarnaar ze is vernoemd waarschijnlijk overleefd.
Dergelijke vermoeide schepen, rijp voor de sloop of gekoesterd door een liefhebber, blijven hier in de haven van Harlingen vaak maanden liggen en zijn dan ineens verdwenen.
Wat mij intrigeerde was een damesfiets die meestal aan boord stond maar soms ook niet. Verder geen teken van leven in alle maanden dat het schip hier ligt. Nooit heb ik iemand in het stuurhuis gezien noch scheen er 's avonds licht uit de patrijspoorten.
Intussen ligt de fiets al weken weggeblazen door de storm op het dek van de ADRIA. Onrustbarend is dat het schip slagzij begint te maken.

Het jagertje

De taakverdeling in ons huishouden is zo dat mijn vrouw kookt en ik de afwas doe. Dat doe ik ouderwets met een teiltje en een afdruiprek. Ik ben niet tegen moderne technologie, integendeel, maar ik vind dat een afwasmachine nauwelijks iets toevoegt. Je moet voorspoelen, de machine in- en uitruimen, het ding neemt ruimte in en na een tijdje gaat hij vreemd ruiken. Allemaal zaken die me frustreren terwijl handmatig afwassen mij een ontspannen moment bezorgt. Ik hoef niks, ik doe de afwas.
Tijdens deze bezigheid kwam onlangs een plezierige herinnering bovendrijven. Iets meer dan veertig jaar geleden leerde ik mijn vrouw kennen. Het was begin jaren ‘70 en we nestelden ons in een oud binnenvaartscheepje. We vonden een ligplaats bij een afgelegen boerderij in de omgeving van Drachten. Ik had plannen om het ruim tot een gerieflijk woonverblijf om te bouwen. Dat is er niet helemaal van gekomen. De aanzet was er wel maar de voltooiing werd ingehaald door andere urgenties.
Af en toe gingen we eten in een naburig café ‘Het Jagertje’. Voor de deur stonden de klompen van de boeren die er een biertje of een borrel kwamen drinken. Zij zaten aan de stamtafel en wij aan tafeltjes met rood geruite kleedjes. De eigenaar, Jan Jager, had het café van zijn vader overgenomen en was vol ambitie. Tijdens een vakantie in Frankrijk had hij besloten om zijn zaak met een Franse bistro uit te breiden. 'Steak au poivre' was zijn succesnummer. Ook serveerde hij snoekbaars die door jongens uit een naburig dorp werd gevangen. Mijn favoriete gerecht.
Op een avond was er een lange tafel gedekt voor een feestje van een boerenfamilie uit de buurt. Ze wilden dat Franse eten ook wel eens proeven. Dat beviel boven verwachting. De pater familias wenkte Jan Jager en zei dat het hem niet tegenviel, een groot compliment. Hij voegde eraan toe ‘Zeg Jan, kan ik nog een stukje van dat peperige vleisch krijgen, ik heb wat te min.’

Maandag

Ochtends word ik weleens wakker van een geluid dat ik niet direct kan thuisbrengen. Dat kan om zes uur zijn maar ook om halfzes. Een gerommel of gedender. Dan weet ik het weer, het is maandag. Vuilnisbakkendag. De Westerstraat is te smal voor een moderne, zelfladende vuilniswagen. Dus brengen we alle kliko’s naar een hoek van de straat. Later komen vuilnismannen ze legen. Waar zie je dat nog. Als ze klaar zijn, springen ze achterop de rijdende wagen.
We wonen in het havenkwartier van Harlingen. Het is een bijzonder buurtje met kleine huizen in kronkelige straatjes. De gemeente wilde het onder aanvoering van een projectontwikkelaar afbreken. Het verzet daartegen was zo groot dat de buurt nu een beschermd stadsgezicht is.
Veel bewoners gaan al vroeg op pad. Ze werken in de bouw in Noord Holland of hebben vroege diensten bij de visafslag of de zoutfabriek. Voor ze vertrekken zetten ze de vuilnisbak buiten.
Deze keer is het wel erg onrustig, de ene container na de andere ratelt voorbij. Ze maken ook verschillende geluiden. De een hobbelt in een rustig tempo, een ander heeft haast en dendert over de klinkers. Ik weet uit ervaring dat de bak kan kantelen als je hem te hard achter je aansleept. Dan moet je hem weer op twee wielen zien te krijgen.
Ineens bedenk ik het volgende scenario. Als we nu, om het buurtgevoel te versterken, een vuilnisbakkenrace organiseren. Steeds starten twee deelnemers tegen elkaar. Ze moeten ieder twee lege vuilnisbakken zo snel mogelijk van start naar finish slepen. Lege vuilnisbakken zijn instabieler dan volle en moeilijker te controleren. Toch zullen de meeste deelnemers proberen met twee bakken tegelijk te starten. Prachtig hoe ze zullen kantelen en tollen. Dat wordt dikke pret.

Terschelling

Ons vakantie-appartement boven café-restaurant Zeezicht is in allerlei opzichten bijzonder te noemen. We huren het van fietsenverhuurder Haantjes. Bij Zeezicht aangekomen kunnen we eerst de ingang van het appartement niet vinden en eenmaal binnen lijken er geen slaapkamers te zijn. Er zijn deuren op slot waar de sleutels niet op passen.
Na wat zoeken blijkt dat de slaapkamers achter een schuifdeurtje en een trap zich op zolder bevinden. Een serre ligt een halve verdieping lager en dient als voorportaal. De enorme woonkamer is verfraaid met een anderhalf meter lang scheepsmodel. In een hoek staat een rommelig bureau met een aftandse computer, een geluidsinstallatie, losliggende snoeren en DVD boxen. Het geheel maakt de indruk van een overhaast verlaten woning.
Ook zijn er zeven grote, vierkante ramen die in drie windstreken uitzicht bieden over de haven en het wad. Prachtig.
’s Avonds schrikken we op van mensen die over een trap naar boven stommelen en luid praten. Het lijkt wel of ze door ons appartement lopen. Het achterhuis hoort bij het restaurant en het personeel verkleedt er zich.
Maar dat is niet alles, in de loop van de week horen we ook andere dingen. De baas kunnen we woordelijk verstaan als hij telefoneert in zijn kantoor. Hij zegt onder andere: ‘Als de situatie in mei niet verandert kunnen er grote moeilijkheden met de bank ontstaan.’ Er zijn buiten het weekend bijna geen bezoekers in het restaurant, is ook ons opgevallen.
Vanuit de huiskamer zie ik over de Waddenzee Harlingen liggen. De vuilverbranding, een werf en de zoutfabriek. Hemelsbreed een paar kilometer naar het zuiden ligt ons huis. Dat klinkt niet erg avontuurlijk maar toch zijn we op Terschelling in een andere wereld.

Puch

Op Terschelling maken we een tocht over het strand in een stokoude 4WD ooit gebouwd voor het Oostenrijkse leger. Tot mijn verbazing draagt de auto het merk PUCH, dé macho brommer uit mijn tienerjaren, die ik nooit heb bezeten.
Hotsebotsend bereiken we de vloedlijn vanwaar het met hoge snelheid richting Boschplaat gaat. Omdat de ramen laag in de auto zitten, zakken we onderuit op de zelfgetimmerde achterbank. Zo kijken we langs de chauffeur heen naar de voorbijschietende duinenrijen, de zee en de eindeloze stranden. Bij een rij palen met geel geschilderde koppen stappen we uit, vanaf daar mag je alleen lopen.
Onze dochter, die hem kent, heeft de chauffeur beschreven als een soort Hell’s Angels type. Hij is te dik, draagt een zwart leren motorjack, het haar in crew cut en een warrige baard.
Tijdens de wandeling naar de uiterste punt van het eiland zie ik Ameland onwaarschijnlijk dichtbij liggen, slechts van ons gescheiden door een strook kolkende zee.
Onze chauffeur houdt stil en wijst ernaar. Hij zegt zacht: ’Daar woont mijn ex, ik ben zelf nog nooit op Ameland geweest.’ Even later begint hij weer over zijn ex. ‘Op oudejaarsdag was ik hier ook. Ik heb haar toen een foto gemaild van Ameland met de tekst: vandaar heb je het mooiste uitzicht van de wereld.’
Een paar dagen later gaan we terug naar de vaste wal. Vanaf het bovendek van de ‘Spathoek’ zien we hem de veerpont oprijden op een zwarte Harley Davidson. Het overdadige chroom flonkert in het halfduister van het autodek. Misschien wordt dit zijn eerste trip naar Ameland.

Lotus

Het woord komt voorbij tijdens een wandeling. Stond het op een bestelauto, op de ruit van een winkel in exotische hebbedingetjes of een reclame voor een Chinees wokrestaurant? Ik weet het niet. Het moet op de een of andere manier in mijn bewustzijn opgedoken zijn.
De bloem ken ik vooral van het antieke Chinees porselein waarop de lotus vaak werd afgebeeld. Dat was overvloedig aanwezig in het museum waar ik vroeger werkte. Prachtig gestileerde bloemmotieven op de rand van een schaal of als enkele bloem in het plat. Vergezeld van symbolische betekenissen uit het Boeddhisme en Hindoeïsme als reinheid, schoonheid en geestelijke verlichting.
Het was nogal ontluisterend toen ik las dat de schilders van die perfecte stileringen meestal op jonge leeftijd stierven. Ze hielden de punten van hun penselen spits door ze regelmatig met hun tong te bevochtigen. Zo kregen ze voortdurend het giftige kobalttoxide binnen dat het stralende blauw van het Chinees porselein opleverde.
Op de terugweg langs de haven zie ik een stoer binnenvaartschip liggen. Met haar door honderden klinknagels bijeengehouden huid zal het tussen de vijfenzeventig en honderd jaar oud zijn. Er is weinig moeite gedaan om de vorm een sierlijk verloop te geven. Het voorschip rijst kaarsrecht op uit het water en van een vloeiende lijn naar het achterschip is geen sprake.
In sierlijke kapitalen staat de naam van het schip aan weerszijden van de boeg boven twee enorme, zwartgeteerde klipankers. Hier kwam het woord dus vandaan. 'Lotus'.

Eden

Het is een van die zeldzame, hoogzomerse dagen. We rijden over een klinkerweg naar het dorpje Buren bij Nes op Ameland. De weg wordt overschaduwd door twee rijen naar elkaar neigende boomkruinen. Ik parkeer aan de achterkant van de supermarkt. Binnen is het koel, ruim en rustig.
Wanneer ik weer buiten kom, verblindt het schelle zonlicht me. Terwijl ik naar de auto loop, wordt mijn aandacht getrokken door een tuin naast de parkeerplaats. De tuin ligt dieper en bestaat uit een grasveld met wijd uitwaaierende kastanjes, omzoomd door een aarden wal. Schaduw- en helverlichte plekken wisselen elkaar af.
Het is de roerloze stilte van het tafereel die mij doet denken: zo zou de hof van Eden er uit kunnen zien.
Niet direct een voor de hand liggende gedachte, het paradijs speelt geen grote rol in mijn belevingswereld. Mijn eerste associatie met het woord is ‘East of Eden’, de titel van een film van Elia Kazan.
Alleen de slungelige hoofdpersoon herinner ik me, gespeeld door James Dean, waarvan alle meisjes uit mijn vroege tienerjaren in katzwijm vielen.
Rietje Vroegop, een vrolijk meisje met vlasblond haar, waar ik verliefd op was, zat naast me op een lange bank in het natuurkundelokaal. Een meisje uit de bank voor ons gaf heimelijk een foto van hem door in één van zijn meest onverschillige poses. Ze keek er gebiologeerd naar, zich onbewust van alles om haar heen en helaas ook van mij.

De Fundatie

Lopend langs de van Roijensingel in Zwolle doemt door de kale boomtakken aan de overkant een schitterende, blauwgrijze zeepbel op. Terwijl ik verder ga, rijst hij steeds verder boven de bomen uit, alsof hij zodadelijk weg zal zweven.
Dat zal niet gebeuren, het is de uitbreiding van Museum de Fundatie, ontworpen door architect Hubert-Jan Henket. Hij tekende ook de elegante uitbreiding van het Teylers museum in Haarlem en daarom verheug ik me erop het te zien.
In het Teylers zag ik indertijd een tentoonstelling van de Italiaanse schilder Giorgio Morandi. Kleine stillevens van een bedrieglijke eenvoud die op mij grote indruk maakten. Nu ben ik op weg naar een tentoonstelling van Marino Marini, een andere moderne Italiaan.
Zo’n vijftig jaar geleden stond in de hal van Museum Kröller-Möller van Marini een kleurig beschilderd, houten beeld van een ruiter te paard. Het vormde de aanleiding voor de titel van een film waar ik toen aan werkte. ‘Man en Paard’, een documentaire over het ambacht van de hoefsmid. De originele hoefstal waar we het beslaan van de paarden opnamen heette ‘Poppe’ en stond in Zwolle.
Als ik het nu tot restaurant ‘Poppe’ omgebouwde pand passeer, zie ik dat de oude hoefstal nog deel uitmaakt van de voorpui. Vroeger stonden de paarden erin vastgebonden met de kont naar de straat waar Poppe het hete ijzer sissend op de hoef paste.
Dan sla ik de hoek om en zie de bel zweven boven het dak van het voormalige, statige gerechtsgebouw. Dat krijg je als je ouder wordt, de dingen gaan voorbij en herinneringen rijgen zich aaneen tot een nostalgisch verhaal. Niets aan te doen.

Moreel

gegrond op het innerlijk gevoel van zedelijkheid, deugd of waarde.
We spelen traditiegetrouw op oudejaarsavond met vrienden het woordenboekspel. Om de beurt kiest een deelnemer een woord uit het woordenboek en schrijft de betekenis ervan over. De anderen schrijven op wat zij denken dat de juiste omschrijving is. De resultaten worden anoniem door de spelleider voorgelezen en de deelnemers mogen raden wat de juiste omschrijving is. Een puntentelling volgt.
De omschrijving van ‘moreel’ in dit woordenboek deugt volgens mij niet. Wat is dat voor flauwekul, ‘innerlijk gevoel van zedelijkheid.’ Daar kun je geen soep van koken. Laten we van Dale raadplegen op het internet, is mijn voorstel. Dit woordenboek, een versleten exemplaar waar de omslag en de eerste pagina’s aan ontbreken is minstens vijftig jaar oud.
Later blijkt het een editie van Wolters Noordhof ca.1930. ‘Regel is regel', krijg ik ten antwoord. 'We gebruiken dit woordenboek altijd en het dondert niet of het juist is, het is maar een spelletje.' Dus gaan we door.
Na afloop zoek ik het toch op in van Dale.
mo·reel1 (het) veerkracht van een groep of individu in moeilijke omstandigheden. Kijk dat bedoel ik nu, daar heb je wat aan. Dat oude woordenboek ademt nog de geur van sufgekookte groente en zelf banden plakken, toen het verschil tussen goed en kwaad nog eenduidig in de volksziel verankerd lag. Zo is het allang niet meer.
Hoewel, als ik later ook nog even het Prismawoordenboek voor scholieren raadpleeg, lees ik: ‘in overeenstemming met de heersende overtuiging en gedragsregels voor wat goed en netjes is en wat niet, zedelijk.’

Liefste

Een moeder met een vijf of zesjarig zoontje neemt plaats op de bank achter mij. ‘We gaan achteruit rijden.’ zegt hij. ‘Nee, zegt de moeder, vooruit.’ ‘Achteruit’, gilt de jongen. ‘Stil Willem, andere mensen hebben last van je.’ ‘Achteruit, achteruit, achteruit,’ draaft hij door. Ze pakt hem nu stevig aan. Het is een tijdje stil en dan zegt hij: ‘Je bent wel lief, hoor. De liefste van de hele wereld.’
Een groep levenslustige scholieren komt de coupé binnen en gaat achter het tweetal zitten. Willem draait zich om, springt op de bank en roept: ‘Hallo, jongens.’ Ze lachen en één zegt met een overdreven zware stem: ‘Hallo.’
Hij heeft beet en vervolgt met het verhaspelen van willekeurige woorden tot een van de jongens ’dorpeling’ verstaat. Luid gelach, later blijkt dat ze uit Buitenpost komen.
Willem raast buiten zinnen door, de moeder laat hem even gaan, de jongens schijnen het leuk te vinden.
Hij roept: ‘Ik kan jou wel als zakdoek gebruiken.’ Luid gelach. Hij herhaalt de zin steeds weer afgewisseld met ’dorpelingen, dorpelingen.’ Moeder probeert tevergeefs in te grijpen maar er is geen houden aan. Mensen kijken verstoord op en een oudere heer verlaat de coupé. De trein remt af en even later verlaten de scholieren de trein.
Willem bedaart bij gebrek aan publiek. De moeder geeft hem een standje: ‘Thuis ga je direct naar boven.’
‘Nee, ik ga niet naar boven.’
‘Sinterklaas geeft je vast weer een briefje in je schoen.’
Willem mompelt nu een poosje onverstaanbaar in zichzelf. Dan zegt hij nauwelijks verstaanbaar. ‘Je bent de liefste van de hele wereld.’

Vliegen

Buiten zie ik door mijn dakraam een meeuw onbeweeglijk in de lucht hangen, gedragen door de wind. Zijn poten heeft hij ingetrokken onder zijn buikveren.
Gefascineerd observeer ik de minimale stuurbewegingen van zijn vleugeltippen om onregelmatigheden in de luchtstroom te corrigeren. Alles gaat moeiteloos. En wij blijven er maar van dromen echt te kunnen vliegen.
Geen wonder dat tegenwoordig ontwerpers steeds meer naar vogels kijken bij hun ontwikkeling van steeds perfectere vliegtuigjes. De eerste drone’s die zich met vleugelslagen voortbewegen bestaan al. Ze zijn te vinden op het internet. Opzienbarend, maar vergeleken bij de verfijnde motoriek van de meeuw is het nog hopeloos grof.
Nu heeft hij genoeg van het zweven en zwenkt plotseling af. Daarbij komt hij dicht in de buurt van mijn raam. Moeiteloos ontwijkt hij het obstakel met een scherpe bocht waarbij hij de vaart uit zijn vlucht haalt door door omhoog te sturen. Misschien is hij toch even geschrokken, een flinke kledder stront druipt langs het raam.

Linosnede, 10 x 13 cm

Ledigheid

Vrij regelmatig schiet mij een geniale gedachte te binnen als ik wat loop te dromen. Mijn hersens werken op een laag pitje en mijn aandacht is ongericht. De genialiteit valt achteraf nogal eens tegen maar toch is er menigmaal een goede foto of een aardig verhaal uit deze gemoedstoestand voortgekomen.
Een voorbeeld hiervan is een gebeurtenis van jaren geleden. In die tijd reed ik nogal eens door NW Friesland om landschapsfoto’s te maken. Het is er plat en uitgestrekt met weinig bomen of bebouwing. De dijken vervangen aan de zeezijde de horizon. Voor mij heeft deze omgeving een bijzondere aantrekkingskracht.
Tijdens die rit is het somber novemberweer. Het begint te regenen en ik besluit naar huis te gaan. De duisternis kondigt zich al aan en de loodzware lucht belooft niet veel goeds. De eerste regendruppels waaien tegen de voorruit. Langzaam rijd ik verder en verlies mijn belangstelling voor de omgeving. Een bedrukte stemming overvalt me.
Dan merk ik iets op waardoor ik me gedwongen voel te stoppen, maar ik zou niet kunnen zeggen wat. Je lijkt wel gek, denk ik, toch stop ik en stap uit met de camera in mijn hand. Rillend sta ik daar en kijk om mij heen. Er is niets bijzonders te zien.
Maar dan, als ik weer wil instappen, scheurt het uitspansel een moment open. Een natte asfaltweg licht op als een helder wit lint. Aan het eind ervan ligt een boerderij. Ik til in een reflex de camera op, kader het beeld en druk af. Daarna sluit het wolkendek zich weer en lijkt de duisternis dieper dan tevoren.

© Allaard Hidding 2014