Blister

Het geworstel van mijn vrouw met de verpakking van een onsje olijven in een plastic doosje begint op mijn zenuwen te werken. Maar als ik het zelf had geprobeerd zat de olijfolie overal waar je het niet wilt hebben. Het is om gek van te worden, waarom maken fabrikanten dat zo.   
Opeens schiet me een oeroude mop te binnen. Sam verkoopt aan Moos een partij ingeblikte zalm. Na een tijdje komt Moos zich beklagen: ’Die zalm is niet te vreten, helemaal bedorven.’ Zegt Sam: ’Maar Moos die zalm is ook niet om te eten, die is voor de handel.’   
En zo is het. Allerhande kleine koopwaar wordt in blisterverpakkingen gedaan van kristalhelder plastic. Kleine vitrines waarin de spullen zo voordelig mogelijk worden uitgestald. Ze kraaien het uit: neem mij mee, ik ben zo mooi, handig of lekker. En je trapt erin.   
Thuis begint de ellende. Je kijkt het pakje eens goed aan en als het een kartonnen achterkant heeft, denk je: dat moet lukken. Er zit zelfs een gekartelde lip die de suggestie wekt: scheur mij eraf dan kun je de inhoud er zo uitnemen. Nee dus. De lip scheurt niet zoals verwacht en als je hem los hebt gepeuterd blijkt de ontstane opening te klein voor de inhoud.
Tegen die tijd heb ik het helemaal gehad. Met een stanleymes wil ik de boel opensnijden, maar nader inzien verwoest ik dan waarschijnlijk de inhoud. Dan maar voorzichtig langs de rand het plastic snijden. Verkeerd gedacht, dat spul is onverwoestbaar.
Uiteindelijk heb ik het er met een paar kapotte nagels toch uitgekregen. De inhoud lijkt ineens minder aantrekkelijk dan toen ik het kocht.

Paradox

In een ’In memoriam’ in de Volkskrant werd de dichtregel ‘Wie wat vindt heeft slecht gezocht’ van Rutger Kopland geciteerd. Dit soort paradoxen irriteert me altijd een beetje. Het werk van Kopland waardeer ik, maar zo’n uit zijn verband gerukte dichtregel suggereert een diepzinnigheid die ik uit deze woorden niet kan opmaken. 
Zoeken doe je als je wat kwijt bent. In de koelkast kan ik vaak de dingen niet vinden die ik nodig heb. Als de koffiemelk ineens in karton is verpakt in plaats van in een flesje dan is het voor mij onzichtbaar.   
Zoals het citaat gebruikt werd in de krant valt het voor mij in de categorie van zweverigheden als ‘De weg is belangrijker dan de aankomst’ en ‘Vragen zijn belangrijker dan antwoorden.’   
Wanneer ik op miin dagelijkse wandeling weer eens de Zuiderpier afloop bedenk ik dat deze weg nergens heen voert. Als je aan het einde van de pier bent kun je niet verder. Dat is begrijpelijk, de pier is niet aangelegd als weg, hij is er om de haven te beschermen tegen weer en wind. Hier is de functie belangrijker dan het eindpunt.    
Behalve voor jou misschien als je geliefde aan het havenhoofd staat te wachten.
Met de stelling ‘Vragen zijn belangrijker dan antwoorden’ ligt het bij nader inzien toch iets anders. Hij verwijst naar de Socratische dialoog. Daarmee wordt bedoeld dat je door telkens je vragen nauwkeuriger te formuleren je dialoogpartner wordt gedwongen om de waarheid te vertellen. Dat werd Socrates niet in dank afgenomen. Hij moest uiteindelijk de gifbeker leegdrinken.   
Daar is weinig paradoxaals aan.

Franeker

‘A fresh look at frozen fish’ staat er op een vriespakhuis aan de Zuidwalweg in Harlingen. Waarom niet ‘Een frisse kijk op bevroren vis’ dat bekt net zo goed. Maar ja, het is de slagzin van de diep-Friese firma ‘The Fisch Company’.
Dit bedenk ik op de fiets, ik hoef nergens heen maar besluit naar Franeker te gaan. Dat ligt zo’n zeven kilometer hiervandaan. Gedachteloos volg ik de route die ik gewoonlijk met de auto neem.
Na een poosje wordt ik richting Midlum gedirigeerd, dat ligt in de verkeerde richting. Een paddestoel voor fietsers meldt dat Franeker nog acht kilometer weg is. Ach, een kilometer meer of minder, ik word om Midlum heen geleid. Bij een kruising na Midlum meldt de ANWB dat Franeker nog steeds acht kilometer fietsen is. Het stuk ertussen is ook uit mijn herinnering verdwenen.
Aan de andere kant van Harlingen vervolg ik mijn weg naar Herbayum en Franeker. Nog zeven kilometer te gaan. Die leg ik zonder noemenswaardige inspanning af en fiets Franeker binnen. De winkelstraat is opvallend leeg. Alleen op de terrassen hangen een paar lusteloze toeristen. Mijn oude NOKIA - telefoon zonder smart - geeft aan dat het vijf over twaalf is. Dat is het tijdstip waarop heel Franeker aan de aardappelen, vlees en groente zit.
Daarop besluit ik direct terug te gaan. Onderweg bedenk ik dat ik niets heb beleefd op dit tochtje, maar ook dat het bewust meemaken van het hier en nu vooral afhangt van je ‘state of mind’, ik bedoel ‘gemoedstoestand’.

Zakgeld

Op het laatste moment val ik de trein naar Alkmaar binnen en plof neer op de eerste de beste lege plaats, het is bomvol.
Tegenover me zitten twee vrouwen die aan hun talrijke tassen te zien in Amsterdam gewinkeld hebben. Om mij heen zijn scholieren druk in de weer met hun duizenddingen-telefoons.
Een iets te dikke vrouw met een dochter, een spriet van een jaar of tien, komen de coupé binnen. Terwijl de trein optrekt zoekt de moeder omstandig naar een plek waar ze bij elkaar kunnen zitten. Een paar scholieren verwisselen zonder commentaar van plaats om dat mogelijk te maken.
Een bedankje kan er niet af.
De moeder begint tegen haar dochter te praten: ‘Heb je niks vergeten. Heb je hier wel aan gedacht? Heb je daar wel aan gedacht?’
De dochter zegt niets terug, maar ik voel haar onwil en ook berusting bij het aanhoren van deze eenzijdige conversatie.
Dan hoor ik haar zeggen: ‘Ga jij papa straks om wat zakgeld vragen?’
De dochter: ‘Waarom?’
‘Nou dan kunnen we straks nog even langs Intertoys, iets leuks voor je kopen. Ik heb daar geen geld voor. Het groeit me niet op de rug.’
Dochter zwijgt.
‘Geld lenen en niet terugbetalen, zo gaat dat niet. Ik ga er ook niet meer achteraan. Telefoneren kost ook geld hoor.’
’Nou ja, we zien wel. Ik kom je om zes uur weer halen. Dan moeten jullie wel thuis zijn.’
De dochter zwijgt nog steeds.
Sommige mensen nemen, in allerlei opzichten, meer ruimte in beslag dan goed is voor hun omgeving.

Ambrosius

Ik kijk vanuit het raam van mijn werkkamer uit over de Harlinger haven en een strook Waddenzee. De horizon is onzichtbaar, lucht en water niet van elkaar te onderscheiden. De balustrade van de promenade en de loods erachter hebben nevelige contouren, evenals de masten van een paar zeilcharters die de grijze lucht versieren. Het is het einde van de zomer, de herfst kondigt zich aan.
Dan schuiven er van links grote, donkerrode letters mijn blikveld in. Ambrosius, lees ik, terwijl de tekst langzaam aan de rechterkant uit het beeld verdwijnt.
Ik zet mijn bril op om het verschijnsel te volgen. Langzaam draait een truck met grijze oplegger, formaat flatgebouw, het parkeerterrein van Albert Hein op. De naam van de heilige staat op de zijkant, ‘transporten’ staat er kleiner onder.
Dan bereiken verwarde kreten mijn oor. Het klinkt niet goed, hij heeft het tegen niemand, denk ik. Misschien dwaalt hij rond op de haven en zie ik hem daarom niet.
Intussen rijdt een oude man op een fiets kalm over de promenade. Van de andere kant komen twee jongens voorbijdrijven, ze staan doodstil op hun skateboards.
Een vrouw met rood haar en een blauw jack wandelt voorbij. Ze houdt even stil en kijkt naar de open loods, waarin een replica van het expeditieschip van Willem Barentsz wordt gebouwd. De kale spanten priemen als de ribben van een voorwereldlijk monster omhoog.
Weer hoor ik de warrige kreten, hij lalt maar wat. Een verloren ziel.
Ook Ambrosius, beschermheilige van de imkers, kan hem niet helpen.

Buitendijks

Achter de aftandse loodsen van ‘Houtimport Hubert Jans & Co’ staat een Amerikaanse oldtimer geparkeerd. Rondom heeft zich een groepje mensen opgesteld. Het zijn een bruid, compleet in het wit met sleep, een bruidegom, een fotograaf en wat familie. Ze willen kennelijk een huwelijksfoto in gangsterstijl maken tegen de achtergrond van die grauwe loods en een Cadillac.
Of dat lukt is de vraag. Het ziet er nogal onschuldig uit in het overvloedige zonlicht.
Het tafereel speelt zich af aan de Nieuwe Willemshaven in Harlingen. Ik bekijk het vanaf de promenade die over de zeewering loopt.
Ik vervolg mijn weg en maak een wandeling over de Zuiderpier. Op de terugweg kom ik weer langs ‘Hubert Jans’. Op het haveloze grasveld tussen de loodsen en de zeewering zitten nu twee jonge moeders. Ik tel drie kinderen, twee scharrelen rond en er is een baby. Ze zitten op dekens en hebben flesjes drinken en wat te snoepen bij zich. Een gemoedelijk tafereel dat de herinnering oproept aan die andere picnic op het wat minder brave schilderij ‘Déjeuner sur L’herbe’ van Édouard Manet.
Als ik een paar weken later langs de haven loop is het prachtig weer, het kan niet op deze zomer. Op de verlaten kade staat een stationcar met de achterklep open. Achterin ligt een jonge vrouw in elkaar gedoken onder een slaapzak. Haar hoofd rust tegen de heup van een jongeman die met een somber gezicht naast haar zit. Verkering uit, ongewenst zwanger?
Ook buitendijks gaat het leven gewoon zijn gang.

Phtalo

Ik heb langdurig geslapen op mijn linkerzij. Wanneer ik me omdraai lig ik te soezen maar ben nog niet echt wakker. Langzaam wordt ik mij bewust van iets eigenaardigs. Mijn linkeroor lijkt steeds groter te worden, de oorschelp groeit en breidt zich uit. Nogal verontrustend.
Onder het slaapkamerraam start met rochelend geluid de motor van het 45 KM autootje van de overbuurman. Het is zes uur, dan gaat hij naar zijn werk.
De wind giert langs de dakkapel. Niets bijzonders, waaien doet het in Harlingen altijd.
Dan hoor ik stemmen. Het zijn er twee, van een man en een vrouw.
Nachtbrakers op weg naar huis. Ze maken ruzie.
Onder ons raam houden ze stil, af en toe kan ik een paar woorden verstaan.
‘Waarom moet jij het altijd beter weten.‘ kijft de vrouw. ‘Het is ftalo.’
De man bromt onverstaanbaar.
‘Ptalo, dan is het ook zeker Parao?’ zegt zij.
Nu versta ik de man: ‘De H is stom en Farao schrijf je met een F.‘
‘Wie is er nu stom, ftalo blauw, dat staat er op de tube.’
De wind neemt het weer over, het geluid van hun stemmen verwijdert zich.
Het groeien van de oorschelp is gestopt, met een kleverig rukje laat het los van mijn slaap.
Onrustig draai ik me om en om en blijf eindeloos wakker liggen.

Tussenpersoon

Er is een ongrijpbaar wezen in mijn leven binnengedrongen die zich met mijn financiën bemoeit. Hij heeft zich op hinderlijke wijze permanent in mijn bewustzijn genesteld.
De tussenpersoon.
Ik heb niet om hem gevraagd maar opeens was hij er. Ik probeer me een voorstelling van hem te maken, het lukt me niet. Dat een jongen zegt: ik wil brandweerman worden of piloot en een meisje dierenarts of verpleegster, is begrijpelijk. Maar stel je voor dat je kroost verklaart ‘tussenpersoon’ te willen worden. Ik zou psychologische hulp inroepen.
Eenmaal heeft hij zich telefonisch gemeld: ‘Of hij mij van dienst kon zijn met de bemiddeling tussen een onduidelijke firma, die weer een Belgische bank vertegenwoordigt, en een levensverzekeringsmaatschappij.’
Van die levensverzekering wilde ik af, ik heb hem niet meer nodig. Ooit heb ik hem aangeschaft om een huis te kunnen kopen. Bovendien ben ik van mening dat men zich niet tegen het leven kan verzekeren. Het lijkt me flessentrekkerij.
Ik maakte de tussenpersoon duidelijk dat ik het wel alleen afkon, de zaak is immers heel eenvoudig en ik heb aan alle voorwaarden voldaan. Zonder commentaar hing hij op, ik meende hem wel zachtjes te horen vloeken.
Dat heb ik geweten.
Brieven bleven onbeantwoord en bij telefonisch contact verwees men mij steeds naar de tussenpersoon. Ik werd er doodziek van. Intussen heeft de zaak zichzelf opgelost. Na weken van brieven schrijven had ik het opgegeven en ineens kwam er een brief - van de tussenpersoon - met het bevrijdende antwoord.
Ik wilde hem niet maar hij bleek hardnekkig als onkruid.

Oud

In de verte staat een gedrongen figuur met op zijn hoofd een ouderwetse pet van wollen stof met een vaag ruitjespatroon. De klep zit aan de bol vastgenaaid of is vastgezet met een drukknoop. Daar staat een oude werkman.
Wanneer ik naderbij kom zie ik een vlezig, kaalgeschoren hoofd onder de pet. Zijn weinig modieuze kleding, vormeloze broek en geruit overhemd, maken het moeilijk zijn leeftijd in te schatten. Toch lijkt hij me tamelijk jong, een dertiger. Met de voeten stevig neergeplant op de Harlinger zeedijk kijkt hij uit over het wad.
Ik passeer hem zonder te groeten.
De zon staat aan een wolkenloze hemel met alleen een lamlendig briesje als verkoeling. Dit is geen ideaal weer voor een wandeling op de pier. Het moet waaien met voortsnellende wolkenluchten, het liefst met witte kuiven op de golven.
Zo in mijn T-shirt voel ik me een vakantieganger.
Het is druk vandaag. Tussen de flanerende mensen zie ik een bejaard paar hand in hand lopen. Hij draagt een buikje onder zijn overhemd en een muisgrijze broek. Zij draagt het haar in een knotje en is gehuld in een ouderwetse bloemetjesjurk.
Dat ze nog hand in hand lopen, bedenk ik met een glimlach.
Bij die gedachte schrik ik op. Ik kijk ze nog eens goed aan, ze zijn waarschijnlijk van mijn leeftijd en misschien wel jonger. Mijn vrouw en ik lopen ook nog weleens hand in hand. Glimlachen anderen dan ook vertederd als ze ons zien?
Dat vind ik een onverdragelijke gedachte.

Westeremden

Vanuit de tuinkamer van ons vakantieverblijf in N.O. Groningen, kijk ik uit over een uitgestrekt stuk grasland. Het is geen rechte lap, de bosschages achter de buurhuizen klemmen het in, maar in de verte waaiert het uit zover mijn blik reikt.
Ik zit te lezen in ‘De val van Prometheus’ van Ton Lemaire. Het gaat over ‘grenzen aan de groei’, die wat Lemaire betreft al ruimschoots zijn overschreden.
Gisteren is het gras gemaaid en daarna opgeschud en uitgespreid. De landbouwmachine leek wel voortgestuwd door een groene brandingsgolf.
Vandaag is het loonbedrijf weer langsgeweest. Een trekker reed met grote snelheid over het land en legde het gras in banen achter zich neer. Deze grassingels volgen de contouren van het land waardoor er interessante patronen ontstaan. Maar niet voor lang, er komen nu drie andere machines het land op. Twee ervan trekken grote karren. De derde werpt met een schoepenrad het gras omhoog, slurpt het op en spuit het via een flexibele buis in een van de karren.
De trekker met de laadwagen rijdt naast de grote graszuiger die het spoor van de grassingels volgt. Ze moeten beiden nauwkeurig manoeuvreren om het gras zonder morsen in de kar te deponeren. Aan het einde van een grasbaan rijdt de trekker met de kar heel snel om de zuiger heen en zo pakken ze de volgende grasbaan. Een ballet van machines gedanst door de trekkerchauffeurs die duidelijk plezier in het spel hebben.
Lemaire zou niet opgetogen worden van het geweld waarmee de drie mannen in korte tijd zoveel grond bewerken.
De katten uit buurt zijn er ook niet blij mee. Het land ligt er na afloop bij als een biljartlaken. Ze kunnen geen tijgertje in de alang-alang meer spelen.

Westeremden II

In de namiddagzon genieten we van een glas witte wijn, loom bespreken we de dingen van de dag. Het is omstreeks vijf uur en we zitten in de tuin achter ons vakantieverblijf in N.O. Groningen. Dat is weliswaar dichtbij huis maar toch schept deze omgeving de noodzakelijke afstand voor het vakantiegevoel.
Op het pas gemaaide grasland waarover we uitkijken zijn kraaien bezig met het oppikken van voedsel. Wat dat is kan ik niet bevatten, de voorafgaande dagen waren droog en de wormen zullen diep in de grond gekropen zijn. Graszaad misschien.
In de verte oogt het treintje tussen Loppersum en Delfzijl als speelgoed, het is zover weg dat het geluid ons niet bereikt. Hoewel je overal ver kunt uitkijken, is de horizon nergens helemaal vrij. Ik zie wat bosschage rond een boerderij, een hek, een paar schuren en een reeks hoogspanningsmasten. Een kerktoren markeert het dorpje Huizinge in de nabije omgeving.
Het wordt te koud en we gaan naar binnen om te eten en het achtuurjournaal te zien. Later op de avond kijk ik naar buiten en terwijl de zon daalt vangt de wijzerplaat van het kerkje het zonlicht. Hij tekent zich af als een helderblinkende schijf in het landschap. Het is vijf juni en de dagen zijn lang.
In een beschouwende stemming volg ik het langzaam uitdoven van het licht. De wijzerplaat van de kerktoren heeft nu een gouden tint aangenomen. Het landschap verliest nu steeds meer details. De boerderij lost op in de omringende bosschages, de kerktoren verdwijnt in de donkerende lucht. Het duister krijgt het land steeds meer in haar greep. Alleen de nu roodgloeiende wijzerplaat van de kerk is nog opvallend aanwezig.

Communie

Vanaf Wolvega komen we via de Blesse en Peperga in Steggerda. Even later bevind ik me op zondagochtend om halftien in een goed gevulde katholieke kerk. Onverwacht blijkt het die ochtend te gaan om de eerste communie van een aantal kinderen uit Steggerda en omgeving. Het is een vrolijk gesnater en een kinderkoor zingt een stichtelijk lied op een melodie van ‘Kinderen voor Kinderen.’
We gaan zitten en de dienst begint. De pastoor spreekt een korte openingstekst uit en vraagt iedereen te gaan staan. Gedurende de dienst wordt ons nog een paar keer gevraagd te gaan staan en weer te gaan zitten. Ik bedenk dat het waarschijnlijk een functioneel gebruik is, ontstaan in vroeger tijden toen de kerk nog niet verwarmd was. Ook nu is het prettig af en toe de stramme leden te strekken.
Een kordate dame neemt de leiding over, zij zal de communicantjes door het ritueel leiden. Dat is heel modern opgezet. De leidster benadrukt dat het in het leven gaat om het helpen van anderen. Vervolgens stelt ze ieder kind de vraag wat hij of zij daarmee wil doen. De eerste zegt rustig dat hij de armen geld wil geven om eten en een huis te kopen.
Heel goed.
De tweede wil iets met de natuur, ze komt er niet helemaal uit en de leidster vult het aan. Nogal wat kinderen krijgen de woorden die ze hebben ingestudeerd niet vlekkeloos over het voetlicht. Ze worden vriendelijk maar beslist op weg geholpen. Ook prijst ze ieder kind door duidelijk te herhalen wat voor goede voornemens het heeft. De zieken komen aan bod en degenen die troost behoeven. Nadat de laatste zijn variant op het voorgaande heeft uitgesproken, sluit ze af door glashard te beweren dat de kinderen het allemaal zelf hebben bedacht. Ondertussen zijn twee broertjes op de bank voor mij verdiept geraakt in een computerspelletje.
De pastoor neemt het weer over en leidt de dienst in een opgewekt tempo naar het einde. Tijdens het zingen van het afscheidslied ‘Glorie Halleluja’ door het kinderkoor beginnen de kerkklokken te beieren. Het kan niet op vandaag.

Goed gesprek

Ik sta op het havenhoofd van de Zuiderpier in Harlingen. Er is weinig aan de hand vandaag, geen schip te zien en er zijn ook geen aantrekkelijke wolkenluchten.
Een onverwacht geluid doet me opzij kijken. Een fietser remt abrupt naast me en stapt af. Hij staat nu pal tegenover me, de fiets tussen ons in. Contact is onvermijdelijk. Hij draagt een ruige Noormannen muts tot over de oren, twee staarten met kwasten zwieren nog na. Een gele skibril staat op de neus van een mager, verweerd hoofd.
‘Goedemorgen’, zeg ik als reactie op deze onverwachte verschijning. ‘U ziet de hele wereld geel.’ voeg ik er aan toe. ‘Ja, zegt hij, met deze bril heb ik geen last van tranende ogen door de wind.’
Nu het gesprek toch op gang is, ga ik door. ‘U heeft ook een bijzondere aluminium fiets, mooi gevormde zadelpen trouwens.’ ‘Custom made, zegt hij trots, vermindert de luchtweerstand.’
Op de brede buis van het frame staat in grote letters het merk: Van Gogh RAW. Dan zie ik dat er geen versnellings- of remkabel naar het stuur loopt, de hele fiets maakt een Spartaanse indruk. ‘Is het een doortrapper?’ vraag ik, diep in mijn herinnering duikend naar mijn eigen fietsverleden.
‘Nee, dat is te gevaarlijk, ik heb een tweeversnellingsnaaf van Sturmey Archer. Als je eenmaal kort achteruit trapt gaat hij in de andere versnelling, als je langer achteruittrapt werkt de terugtraprem.’ Ik uit mijn bewondering.
Hij demonstreert de werking van de tweeversnellingsnaaf met een korte sprint.
Als ik denk dat hij nu weggaat, remt hij af en blijft in wandeltempo naast me fietsen. Het fietsverhaal gaat vloeiend over in meer algemene beschouwingen over van alles en nog wat.
Wanneer we aan het begin van de pier zijn, maakt hij aanstalten te vertrekken. Voor hij op gang komt, zegt hij concluderend: ’We hadden toch nog een goed gesprek.’ Dat ben ik met hem eens.

Mooie Paal

Op het busstation in Leeuwarden is het winderig en koud. Ik sta wat twijfelend te wachten op een bus. Het is niet duidelijk wanneer hij vertrekt. Op het station is geen informatie te vinden over de vertrektijden van streekbussen. De papieren lijsten achter glas zijn verdwenen, het glas trouwens ook. De elektronische borden op de perrons zijn tekstloos.
Het verbaast me nauwelijks, het is algemeen bekend dat busstations tot de meest onherbergzame plekken ter wereld behoren. Het doet er ook eigenlijk niet toe, ik sta hier niet te wachten uit noodzaak. De trein naar Harlingen gaat ieder halfuur.
Geen probleem, maar ik heb me voorgenomen om één keer de bus te nemen waarop ik pontificaal de tekst zag staan: ‘Harlingen via Mooie Paal.’
Ik overweeg of wachten wel zin heeft, die bus kan weleens eenmaal in de twee uur gaan. Er komt een man op mij af lopen. Een lange slungel, geheel in het zwart met een niet aangestoken filtersigaret tussen zijn lippen. Leeftijd tussen de vijfentwintig en de veertig, nauwkeuriger kan ik niet zijn. In plaats van een vuurtje te vragen zegt hij, ‘Wachten duurt lang, hè’ ‘Ja, zeg ik, en het is koud ook.’ Hij gaat zwijgend naast me staan, de sigaret nog steeds in zijn mond. Na enige tijd komt er beweging in hem. ‘Nou dan ga ik maar weer eens’ zegt hij en wandelt weg.
Die spoort niet helemaal.
Daarna neem ik de beslissing toch maar met de trein naar huis te gaan. Onderweg stoppen we in Deinum, Dronrijp, Franeker en Harlingen. In Franeker zie ik de man in het zwart uit de trein stappen, de filtersigaret nog steeds in een mondhoek. Hij loopt naast een andere man met wie hij in een levendige conversatie is gewikkeld.
Misschien had ik het initiatief tot een gesprek moeten nemen, daar op het busstation? Dan bedenk ik, het doet er niet toe. Ik had geen behoefte aan een praatje.

Slendang

Vanuit het huis van mijn dochter in de Indische buurt van Amsterdam-Oost ga ik naar de halte van lijn 22 die me naar het Centraal Station zal brengen. Op de bushalte staat een oude man in sjofele kleding. Een stoppelbaard en een uilenbril met ouderwets dikke jampotbodem glazen completeren zijn verschijning. Hij draagt een klein, wit hondje met zich mee in een slendang. De man is in zichzelf gekeerd, het hondje daarentegen kijkt waakzaam om zich heen.
Ik gebruik zonder erbij na te denken het Indonesische woord voor de draagdoek waarin de man het hondje vervoert. Niet al teveel mensen in Nederland zal het woord slendang nog iets zeggen, voor anderen is het een dierbaar woord uit een verloren wereld.
Later op de dag wordt ik gebeld door een vriendelijke medewerkster van mijn bank. Ze vraagt of ze wat gegevens met mij mag doornemen in verband met een verzekeringspolis. Ik stem toe.
Nadat ze zich ervan heeft verzekerd dat ze wel degelijk mij aan de telefoon heeft, controleert ze de persoonsgegevens. Ik bevestig dat ik op 11 juni 1941 in Batavia ben geboren. Ze aarzelt, ‘Batavia, Nederland’ staat hier. Ik antwoord ‘Vroeger stond er Batavia, Voormalig Nederlands Indië. Ik ben een stukje geschiedenis geworden.' Daar moet ze om lachen en zegt: ‘Dat komt niet voor in het keuzemenu.’ Ik voeg eraan toe: ‘Batavia heet nu Djakarta en is de hoofdstad van Indonesië’.
‘Dan zet ik maar Indonesië in plaats van Nederland’ verklaart ze kordaat. Ik laat het er bij. Ze maakt een vriendelijke en intelligente indruk maar ons koloniale verleden is kennelijk aan haar voorbij gegaan.

Handschoen

’De zomer komt eraan’, zeg ik, als een vriend mij wijst op een zwaluw die over de kruin van de dijk scheert.
Het lijkt wel of ik ieder voorjaar heviger naar de zomer verlang. ‘s Winters probeer ik dagelijks langs de haven of over de pier te lopen, maar de keren dat de ijskoude wind me afschrikt worden talrijker.
Ik loop de pier op in de hoop de bruinvissen te zien die sinds kort in de haven zijn gesignaleerd. Ze vertonen zich niet, misschien zijn er teveel schepen in de havenmond.
Onderweg valt mijn oog op een eenzame handschoen op de borstwering van de pier, hij lijkt in uitstekende conditie. Dat verbaast me altijd weer. Regelmatig tref ik een wollen muts, een sjaal of een handschoen aan. Het zijn kledingstukken die je op deze koude en winderige plek snel zult missen, denk ik toch.
Ik ga verder en blijf uitkijken naar bruinvissen. Op het havenhoofd staat een man met een kijker over het wateroppervlak te turen. De bruinvissen houden kennelijk meer Harlingers bezig.
Op de terugweg blijf ik staan bij de handschoen. Hij ligt op de rug met de duim omhoog, de vingers licht gekromd in een smekend gebaar naar mij uitgestrekt. De handschoen is gemaakt van een solide, zwart kunststof weefsel, met een manchet in lichtgevend groene en grijze accenten tussen de vingers.
Zonder een menselijke hand erin is het een zielloos ding. Het smeekt noch verwijst ergens naar, behalve naar de nonchalence van de eigenaar.

Vrucht

Er hangt een monsterlijk grote vrucht boven mijn hoofd. Hij heeft iets van een gele meloen. De vrucht bestaat uit een drieledig lichaam dat van boven in een punt uitloopt, daar waar de steel aanhecht. Maar behalve de vreemde vorm en gele kleur is het toch vooral de gigantische omvang die verbazing en ook angst oproept. Er druipt vocht naar beneden. Door de uitstulpingen maakt het ding een overrijpe indruk, alsof hij zo dadelijk uit elkaar zal spatten en me verpletteren onder een massa rottend vruchtvlees en kleverig sap.
Dan komt er een tweede vrucht aanzweven. Net zo groot als de eerste, maar wat vuiler geel van kleur. Als er al een uit elkaar zal spatten is het deze wel. Zweven is misschien een verkeerd woord. De beweging gaat gepaard met een hoog gekreun alsof een mechaniek zich beklaagd.
Mijn nek doet pijn van het omhoog kijken. Om mij heen staan een paar kademannen zich te vergapen aan het schouwspel. Er ligt een ongebruikelijk groot schip afgemeerd aan de Willemshaven. Op het dek staan twee grote kranen, de mannen in de cabines daarboven lijken wel poppetjes. Het schip is in grijs en heldergroen geschilderd en draagt een weinig romantische naam. ‘INDUSTRIAL MORE’ De vruchten worden gevormd door drie gele zakken, ieder gevuld met dertigduizend liter water. De hijskranen van een gloednieuw vrachtschip worden getest voor de verzekering. Een deskundige kademan -ze zijn natuurlijk allemaal deskundig - legt het me uit. Ze hijsen het maximale gewicht op en laten het dan een eind zakken om de remmen van de hijsinstallatie te testen. Ze zwaaien de armen van de kraan uit om te zien of de constructie het houdt. Begrijpelijk genoeg deze uitleg, maar wij staan daar vooral om de eventuele, spectaculaire ontknoping niet te missen.

Nederland

We liggen met onze vlet, met motorpech, aan een kade in Steenwijk en wachten al een tijd op de hulp van een monteur. Landerig hang ik over het gangboord en kijk naar reflecterende lichtflitsen in het kabbelende water. Op den duur word je er een beetje draaierig van.
Tot nu toe verliep de tocht voorspoedig. Ik wilde de gebaande wateren verlaten, waar we in colonne voeren met een grijze golf pensionados. We zijn zelf ook pensionados maar we willen ons niet voetstoots schikken in ons lot.
De kaart van NW Overijssel gaf een overvloed van kleine vaarten en kanalen aan. Om de naam kozen we de Roomsloot uit. We gingen van het buurtschap Muggenbeet op weg naar het gehucht Nederland. Nadat we onder een brug door waren gevaren, verlieten we de bewoonde wereld.
Aan stuurboord was de overwal beduidend hoger dan aan bakboord. De hoge kant was begroeid met dicht struikgewas maar aan de andere kant waren er eindeloze weilanden onder een met stapelwolken versierde hemel. Dromerig dreven we door het smalle water, voor mij mocht deze tocht de hele dag duren. Maar er leek een eind aan te komen, de sloot liep dood, wat volgens de kaart niet klopte. Wat verderop bleek het einde een haakse bocht te zijn, waar we met moeite doorheen manoeuvreerden. Nog een scherpe bocht en daarna zette de vaart zich ongestoord voort, tot een luide plons me opschrikte. Een ree of damhert, daar wil ik af zijn, zwom naast de boot en had geen moeite om ons bij te houden.
Hij leek niet in paniek.
Ook als dat wel zo was geweest, zou ik niet weten hoe je een te water geraakte ree moet redden. Ik stuurde zover mogelijk van hem af en stopte de motor. De ree zwom verder en verdween aan de hoge kant achter een overhangende struik.
Nederland bleek te bestaan uit twee boerderijen en een paar huizen.

Eind februari

Buiten schijnt de zon, het ijs en de sneeuw rondom het huis zijn gesmolten. Tijd voor een wandeling over de Zuiderpier. Daar aangekomen kijk ik uit over het wad, het is eb. Op de lege vlakte ontdek ik een solitaire ijsschots die zich dapper teweerstelt tegen het onvermijdelijk einde. De eenzaamheid van het beeld wordt nog versterkt door een troep vogels die in de verte aan de waterlijn scharrelt.
Dan loop ik de pier op. Het wandelpad wordt aan de zeezijde begrensd door een betonnen borstwering. De zon verdwijnt achter een wolk en op slag is het akelig koud. Toch maar doorzetten. Na een paar honderd meter staat een witte damesfiets aan de buitenkant van de borstwering.
Merkwaardig, je moet de fiets er overheen tillen om hem daar te krijgen. Een eindje verderop verder staat een zwarte herenfiets op dezelfde wijze gestald. Er zit een kinderzadel op de stang gemonteerd. Waar zijn de eigenaren van deze fietsen, horen ze bij elkaar of niet?
En waar is dat kind?
Verder lopend kom ik een paar wandelaars tegen. Een vrouw met vier honden, een onderdrukt snikkend tienermeisje, een hand in hand lopend paar, maar niets wat ik met de fietsen in verband kan brengen. Ook geen kind.
Het kan natuurlijk ook zijn dat die fietsen er al dagen staan, maar het blijft raar. De zon is weer tevoorschijn gekomen en ik zet het van me af. Als ik bij het havenhoofd ben zie ik het baggerschip de ‘Adelaar’ de haven uitvaren. Op de terugweg kijk ik weer over het wad, een groepje mensen komt langs het water mijn kant op. Twee volwassenen en twee kinderen. Een jongen rent vooruit, hij jaagt wild met zijn armen zwaaiend de troep vogels op. Vogelliefhebbers zullen het niet waarderen maar ik snap dat jongetje wel. Het is een machtig gezicht, die beweeglijk zwenkende wolk. Ondertussen zijn ook de ouders de pier genaderd, ze klimmen over de borstwering en gaan lopend richting Harlingen. Nog steeds geen spoor van de fietsers.

Bakker

Vanuit mijn huis loop ik via het havenplein over de brug richting Voorstraat. Over een paar honderd meter is daar aan de rechterkant bakkerij Elsinga, het doel van mijn wandeling. Na de Grote Brede Plaats merk ik een zijstraat op die ik niet herken. Dat is vreemd.
De binnenstad van Harlingen herbergt veel geheimzinnige plekjes waarvan ik de meeste wel ken. Ze dragen namen als: Heren-knechten-kamerstraat, Woudemansteeg en Tiepelplein.
Verwonderd kijk ik in de onbekende straat. Hij loopt taps toe met aan de linkerkant wat haveloze herenhuizen belicht door een stralende zon. Dwalend door de straat vergeet ik mijn boodschap.
Na honderd meter zijn er wat winkeltjes. Een groenteboer stalt zijn waren uit, hij neemt de hele stoep en een deel van de straat in beslag. Temidden van de groenten zit een vrouw op een krukje. Even verderop is een slagerij, met halve koeien en varkens hangend aan haken. Nieuwsgierig loop ik door. Er volgen nog een ijzerwinkel met een uit de scharnieren hangende deur en een troosteloze boekhandel.
Ik ga naar de overkant. Daar, in de schaduw, krijg ik het koud en het wordt mij vreemd te moede. De straat wordt hier heel smal en eindigt op een bakkerswinkel. Ervoor staat een stevige vrouw met de handen voor de borst gekruist. Als ik op haar toeloop knikt ze vriendelijk, draait zich om en gaat me voor de winkel in. Binnen lost alles op in een behaaglijk duister.

Walkman

Het is snikheet in het centrum van Kalonis, een stadje op het Griekse eiland Lesbos. Het centrale plein, waar van drie kanten verkeer op en af rijdt, is een chaos. Auto’s toeteren ongeduldig. Scooters slingeren er behendig tussendoor. Een man met een handkar wordt door iedereen vervloekt omdat hij dwars het plein oversteekt en zich nergens iets van aantrekt. Rondom zitten Grieken op de terrassen koffie te drinken of te eten.
De toeristen verblijven in Skala Kalonis, het nabijgelegen badplaatsje. Vandaar ben ik naar de hoofdplaats gelopen, mijn T-shirt plakt aan mijn rug. Ik kijk om me heen of ik ergens nog een plaatsje zie bij een van de cafés.
Dan wordt mijn aandacht getrokken door een man die op een plastic stoel voor een huis zit. Het is een oude man met een dikke oudemannenbuik, gekleed in een blauwe pantalon en een net overhemd. Hij zit onderuitgezakt en heeft een koptelefoon op zijn hoofd. In zijn rechterhand houdt hij een zwart doosje vast. Een draagbare cassettespeler denk ik. Het woord ‘Walkman’ is hier niet zo op zijn plaats.
Omdat hij een zonnebril draagt, kan ik zijn ogen niet zien, maar door zijn hele houding denk ik dat hij ze heeft gesloten. De heksenketel om hem heen dringt niet tot hem door.
Bij deze aanblik bedenk ik onmiddellijk een verhaal. Zijn dochter heeft hem daar zo keurig aangekleed neergezet. Na de koffie en voor de lunch, die ze hem zodadelijk binnen zal serveren. Intussen luistert hij naar de muziek uit zijn jeugd, toen hij nog danste met zijn jonge vrouw, die nu alweer jaren dood is.
Hij kan ook een klassieke muziekliefhebber zijn. Maria Callas zingt een aria uit een opera van Puccini.
Of luistert hij naar een lied van Mikis Theodorakis, wiens muziek ze heimelijk draaiden tijdens de jaren van het kolonelsregime?

Notities

Een vijftienjarige slungel loopt met zijn moeder door een winkelstraat, hij is al een kop groter dan zij. Ze probeert hem een arm te geven maar onwillig weert hij haar af. De moeder vraagt: ‘Kom geef me een arm.’ Hij gaat resoluut iets verder van haar af lopen. Het is een aardige moeder en vast ook een aardige jongen. Ze lacht wat plagend naar hem en laat het erbij.
Een jonge vrouw van hooguit twintig, gekleed in een heupbroek en een afzakhemdje, flaneert over een druk plein langs de terrassen. De halsopening van haar shirt is zo wijd dat deze steeds over haar blote schouder zakt, daarbij de suggestie wekkend dat hij weleens verder zou kunnen zakken. Dat gebeurt niet maar het is wel de attractie van dit onpraktische kledingstuk. Het meisje is voortdurend bezig het geval weer omhoog te hijsen, tegelijkertijd komt ook haar spijkerbroek omhoog van haar welgevormde heupen.
Dat is dan weer niet de bedoeling.
Mij dunkt dat dit gesjor het beoogde effect teniet doet. Het is ook mogelijk dat de mannen op de terrassen het niet eens opmerken en alleen vaststellen dat er een mooie meid voorbijkomt.
Een man van middelbare leeftijd staat op de steiger van een jachthaven te oreren tussen een paar jongere mannen. Hij heeft het over de buitengewone kwaliteiten van een nieuwe lier die hij op het dek van zijn boot heeft geplaatst. De anderen luisteren amper en maken gevatte opmerkingen, waarbij ze luidruchtig om elkaar lachen. De spreker laat intussen niet merken dat het gebrek aan aandacht hem hindert. Ook brengt hij de prijs van het ongetwijfeld peperdure onderdeel niet ter sprake. Het ding staat die boodschap blinkend en wel uit te stralen. De man is bezig met een achterhoedegevecht en hij weet het.
We zijn ons hele leven bezig onze plaats tussen onze soortgenoten te bepalen, te behouden of te verbeteren. Best vermoeiend.

Reimerswaal

‘s Ochtends vroeg kijk ik uit het raam en verbaas me. Aan de Willemshaven is in één nacht een complete fabriek verrezen. Een warwinkel van pijpen, transportbanden en stalen constructies torent boven de zeewering uit. Het is een schip, begrijp ik, wanneer ik de commandotoren ontdek.
Tussen een aantal vaste kademannen - ik ken er een aantal van gezicht - bekijk ik het complexe gevaarte. Op de boeg prijkt de naam: REIMERSWAAL. Het schip is kennelijk vernoemd naar het verdronken Zeeuwse land.
Ik herinner me de keer dat ik een verdronken dorp in de Oosterschelde bezocht om filmopnamen te maken voor een documentaire. Een oude visser, Merientje Siereveld uit Arnemuiden, bracht ons met een aftandse hoogaars naar de plek. Met onze zware apparatuur ploeterden we door het slik. De regisseur wilde actie, het moest een aantrekkelijke film worden. Daarom maakten we opnamen van waterlaarzen die over de bakstenen plattegronden van de verzwolgen huizen sopten. Na de afsluiting van de Oosterschelde zouden de restanten voorgoed onder water verdwijnen, eb en vloed verleden tijd.
Het is vooral Merientje die me is bijgebleven. Hij was al oud maar in zijn korte gestalte kon je nog de bonkige visser herkennen. Wanneer hij aan het roer stond keek hij altijd spiedend om zich heen. Hij zag schepen aan de horizon die ik met mijn nog jonge ogen nauwelijks kon onderscheiden. En van het kleinste stipje kon hij verklaren: ‘Dat is politie.’
We zetten op die tochten weleens een sleepnetje uit. Verse vis als avondmaal. Maar als Merientje riep, 'Politie' dan moest het net subiet binnengehaald en de vis overboord. Zonde, vond ik dat, maar hij was onverbiddelijk. Ik ben er nooit achter gekomen waarom hij zo gebeten was op de politie. Misschien smokkelde hij vroeger wel met de Belgen, het zou me niet verbazen.
Van het internet haal ik de wetenschap dat de ‘Reimerswaal’ een multifunctioneel schip is. Het kan baggeren, zandzuigen, kaden en stranden ophogen, en onder water de bodem versterken met basalt.
Indrukwekkend.

Strandkorben

De grote hotels langs de boulevard van het eiland Norderney manifesteren zich als ongenaakbare forten van een rijke middenklasse. Ooit zijn de welgestelden hier naartoe gekomen in het spoor van Kaiser Wilhelm, die er een zomerresidentie vestigde.
Langs de winderige boulevard staan lange rijen ‘Strandkorben’ in rotten van drie opgesteld. Op een enkele na zijn ze allemaal leeg. Weinig geïnspireerd, kijk ik door de zoeker van mijn camera om te zien of er van dit verloren bataljon nog een aardige plaat valt te schieten.
Op het strand maak ik een foto van een oude dame. Ze draagt een pet als een pompoen met een klep, met een shawl heeft ze het geheel stormvast gezet. Ze wenkt mij dichterbij. 'Lieben sie Strandkorben' vraagt ze in een poging een gesprek aan te knopen. Na even nadenken antwoord ik, 'Photographisch gesehen, ja'.
'Oh', klinkt het wat teleurgesteld.
Maar het is waar, fotografen halen graag esthetische plaatjes uit ritmische herhalingen. Rijen strandstoelen en badhuisjes zijn al zo vaak gefotografeerd dat ze tot een cliché zijn verworden.
We gaan beiden ons weegs.
Duitse ‘Strandkorben’ zijn veel breder dan de Nederlandse rotan strandstoelen, je kunt er met zijn tweeën inzitten. Bovendien hebben ze meestal een opklapbaar windscherm zodat je een ruimte kunt creëren waar je niet wordt gezien. Er heeft zich vast heel wat afgespeeld in die nestjes. Misschien dat de oude dame daaraan dacht toen ze me aansprak.
Wat verder zit op het gazon voor één van de luxueuzere hotels een welgedane vrouw in een 'Strandkorb'. Ze heeft het vast niet erg naar haar zin daar in haar eentje.
Ze voelt zich eenzaam in de grote suite van het Kur hotel. Niet dat er iets aan de verzorging ontbreekt, integendeel, die is voortreffelijk. Alleen kan ze er niet echt van genieten. Haar man heeft beloofd haar zo snel mogelijk te volgen, zodra hij tijd heeft. Met haar verrekijker observeert ze de binnenlopende veerboot, misschien is er een bekende bij.

© Allaard Hidding 2013