Afwezig

Mijn directe verwanten menen dat ik diep in gedachten ben als ik weer eens niet reageer op een vraag. Dat is niet altijd zo, soms pauzeert mijn brein even en ben ik onbereikbaar.Dat is nu ook het geval, tijdens de dagelijkse afwas. Achter mij staat de televisie aan waar ik niet naar luister.mOpeens dringen de woorden ‘...Maxima in Vlaanderen...’ tot mij door. Wat heeft onze Prinses van Argentijnse afkomst, die er overigens uitziet alsof ze uit Bolsward afkomstig is, in Vlaanderen te zoeken? ‘Uit Bolsward’ is niet negatief bedoeld hoor, er wonen opvallend veel knappe, blonde vrouwen. Even later begrijp ik dat het over het Vlaamse weerbericht gaat. Dat overkomt me nu zo vaak. Ik ben er niet bij met mijn hoofd en ineens dringt iets uit de buitenwereld zich op de voorgrond. Onlangs zat ik in de salon op de veerboot van Terschelling naar Harlingen. Je zit op driepersoons banken die twee aan twee tegenover elkaar staan met een tafel ertussen. Die deel je meestal met onbekenden. Ik zit aan het raam, tegenover me zitten twee mannen te kletsen over allerlei nautische zaken. Afwezig staar ik naar de grijze zee en luister niet bewust naar hun gesprek, tot er een paar zinnen van de overkant van de tafel doorkomen. Ze hebben het over de bebakening van de vaarweg. ‘Rare naam eigenlijk’, zegt een van beiden, ‘kardinale ton.’ ‘Ja, wat heeft een kardinaal er nu mee te maken.’ antwoordt de ander. Impulsief en nogal wijsneuzig zeg ik, tegen niemand in het bijzonder. ‘Kardinaal in de zin van belangrijk, denk ik, als in kardinale fout.’ Ze kijken me verstoord aan alsof ik me in intieme zaken meng. Na een korte hapering vervolgen ze hun gesprek, mij verder negerend. Dat moet ik ook niet doen, het is niet beleefd, maar kan ik het helpen dat mijn hersens soms buiten mij om hun eigen gang gaan?

Mist

De misthoorn heeft me al vroeg gewekt. Drie lange stoten kort na elkaar, gevolgd door een wat langere tussenpoos. Dan weer drie lange stoten. Het is windstil, wat de vervreemdende sfeer van deze in zichzelf gekeerde wereld nog versterkt.
Tijdens mijn dagelijkse wandeling langs de haven besluit ik de Zuiderpier af te lopen tot het eind, de plek waar het geluid vandaan komt. Voor ik de pier bereik zie ik een zeemeermin met gouden haren rondborstig onder de boeg van de ‘Thalassa’ hangen in het koude niets. Eenmaal op de pier zie ik steigerpalen en hun verbindende, diagonale constructies weerspiegeld in het roerloze water. In de verte lost dit dubbelbeeld op in de nevel.
Geluidloos verschijnt een politievaartuig in mijn gezichtsveld. Het vaart snel naar zijn vaste plek achterin de haven. Pas als hij op gelijke hoogte met mij is, hoor ik het gebrom van de diesel.
Even later trekt een ander geluid mijn aandacht. Is het een ratelende lier of wordt de motor van een schip gestart? Alle geluiden worden vervormd door het klamme dekbed dat over de haven hangt.
Bij de laatste knik in de pier staat onder het talud een reiger roerloos in het slib. Niet ver daarachter lost de zee op in de ondoordringbare grijze massa.
Dan loop ik op het laatste, rechte deel. Behalve de pier is er niets meer te zien. Het geluid van de misthoorn overstemt nu ieder ander mogelijk geluid.
Als ik eronder sta, doen mijn trommelvliezen pijn van het geloei. Drie lange stoten, even rust en weer drie lange stoten.

Dans

Faro, hoofdstad van de Algarve, Portugal.
Nadat we in het antieke, ommuurde stadsdeel hebben rondgekeken, gaan we via de haven naar de huidige binnenstad. Daar strijken we neer op een terras om wat te drinken. Moe van het lopen, zitten we wat onderuitgezakt op de bediening te wachten.
Intussen gaat een man met twee, zware koffers op een bank aan de overkant van de straat zitten. Uit de ene koffer komt een accordeon, de andere blijkt een draagbare geluidsinstallatie te bevatten. Hij draait wat aan de knoppen en een elektronische ritmesectie laat een eentonige dreun horen. De muzikant begint te spelen en zijn vertolking van top vijftig melodieën ten beste te geven. Hij bakt er niet veel van, het komt er ronduit ongeïnspireerd uit. Jammer, een accordeonist prima, maar dit kunnen we wel missen.
Een serveerster komt naar buiten, kijkt misprijzend naar de spelende man, maar zegt er niets van. We bestellen wat en ze verdwijnt weer. Er komt nog een man aanlopen. Hij blijft staan, luistert even, gaat naar de muzikant toe en spreekt hem aan. De accordeonist knikt onwillig, haalt zijn schouders op en speelt door. De man geeft niet op en praat indringend op hem in. Uiteindelijk geeft hij toe.
De elektronische kast gaat uit en hij gaat verder met een traditionele, Portugese dans. Dat klinkt al heel wat beter. De man die dit voor elkaar heeft gekregen, begint geconcentreerd te dansen. Hij maakt elegante passen en wendingen. De accordeonist krijgt er ook plezier in en wij zijn opgetogen over dit onverwachte optreden.
Het wordt nog beter. Een slanke vrouw met loshangende haren tikt de danser op zijn schouder. Hij kijkt verstoord op maar luistert toch. Even later zetten ze samen de dans voort. Hij leidt haar op een manier die ervaring verraadt. Zij volgt met souplesse en samen vormen ze een perfect paar.

Homo ludens

Ik bevind mij op het terrein van het voormalige, tot monument verheven, waterloopkundig laboratorium in de N.O. polder. Daar ben ik heen gegaan omdat er een tentoonstelling te zien is met installaties van hedendaagse kunstenaars. Dat valt niet tegen. Eén van hen laat op een verscholen plek in het bos zilveren fabeldieren op de vlucht slaan. Een ander heeft een wuivend beeld gemaakt van lange rietstengels dat zo goed past in de omgeving dat je even moet kijken of het misschien toch zo is gegroeid.
Er was nog een reden om erheen te gaan. In het midden van de jaren ’60 werkte ik als assistent cameraman bij het maken van de film ‘Deltafase II’. Ik heb toen heel wat dagen op het terrein van het laboratorium doorgebracht. We gingen indertijd naar de ‘Voorst’, zoals de informele naam luidde, en maakten opnamen van de nagebootste werkelijkheid in ons natte landje.
Voor de dagen van de computersimulatie was het werk in de ‘Voorst’ baanbrekende, waterbouwkundige wetenschap. Grootse plannen werden er op schaal uitgevoerd om te voorspellen wat er zou kunnen gebeuren als ze uitgevoerd werden. Daar mogen we als Nederlanders trots op zijn.
Nu kan ik ternauwernood het model van de Haringvlietsluizen herkennen in de roestige constructies in een met weelderige bossages omzoomde vijver. Wat ik niet terugvind zijn de miniatuur sluiscomplexen waar indertijd volwassen mannen in op schaal gebouwde scheepjes voeren om te leren manoeuvreren in de gigantische werkelijkheid. Die grote mannen in veel te kleine bootjes werkten op mijn lachspieren, net zoals mannen die met modelspoortreintjes spelen. Het zegt waarschijnlijk meer iets over mijn blik op de wetenschap toen, dan op wat daar werkelijk gebeurde. De watersnoodramp van 1953 had meer dan achttienhonderd slachtoffers geëist en dat gingen we voortaan voorkomen.
Intussen moet ik toegeven dat ondanks het stijgen van de zeespiegel, we nog steeds droge voeten hebben. Een treffend voorbeeld dat de spelende mens tot grootse dingen in staat is.

Hoogzomer

De zon schijnt aan een met schapenwolkjes versierde lucht en er waait een aangename bries. In de buurt van de groene camping op West Terschelling ligt mijn favoriete plek in de duinen. Ik ga op weg en na een paar honderd meter ontvouwt het glooiende landschap zich tussen wijkende bosranden. De lage duinen zijn voor ongeveer de helft bedekt met bloeiende heide. Voor de rest bestaat het uit grijze korstmossen en een wirwar van gele zandpaden. Op de korstmossen groeien, schaars gezaaid, aandoenlijke blauwe bloempjes.
Dit is zorgvuldig gekoesterde natuur. Op een paar plekken waar struiken tot bomen dreigden uit te groeien, zie ik afgezaagde stronken.
Ik verlaat de hoofdroute en volg een kleiner pad tussen de heidestruiken. Een vleugje honinggeur drijft voorbij. Het pad gaat nu steil omhoog tot ik het hoogste punt bereik. Daar ligt een ondiepe kom warm zand. Ik trek mijn slippers uit en ga zitten. Overal, op de hellingen en in de dalen viert de natuur het hoogtepunt van het jaar. IJverige insecten gaan van bloem tot bloem. Ze maken zacht zoemende geluiden die nauwelijks het geruis van de wind overstijgen. De duinpan beneden me is gevuld met gloeiend paars. In het diepste punt groeit een tengere loot jong struikgewas waarvan de doorschijnende bladeren het zonlicht vangen. Afstekend tegen de verzadigde kleur van de heide ziet het er zo kwetsbaar uit. Ik strek mijn rug en haal bewust diep adem, alles is goed hier. Mijn blik zoekt de horizon. In de verte lichten de hoge duinen van de zeewering op, begroeid met in regelmatige patronen aangeplant helmgras. Daarachter gaat de zee onverstoorbaar haar gang.

Florence

In 1974 waren we op vakantie in Florence. We bezochten kathedralen en kerken waar we telkens weer werden getroffen door de overweldigende, ruimtelijke beleving. In één kathedraal scheen een veelkleurige lichtbundel op een versleten zerk, alsof er vanuit de hemel speciale aandacht voor deze overledene werd gevraagd. Eén kerk bleef me in het bijzonder bij. Het interieur was opgebouwd uit afwisselend, licht- en donkergrijze blokken natuursteen. Het effect was adembenemend.
Maar na de zoveelste imposante kathedraal waren we verzadigd, meer schoonheid werd ons te machtig. We besloten de volgende dag uit het centrum weg te gaan om te zien hoe de gewone man in Florence leeft.
In een oude volkswijk vonden we wat we zochten. Stoffige pleinen, omsloten door huurkazernes. Mensen die beschutting zochten tegen de verzengende zon onder oude bomen. Het restaurantje waar we lunchten was gehuisvest in een souterrain. De clientèle bestond uit bouwvakkers en andere werklieden. Voor het eerst in ons leven aten we daar groene asperges.
‘s Middags, op het heetst van de dag, zagen we kaartspelende mannen op een terras. Mijn vrouw ging achter een van de mannen staan en observeerde het spel. Opeens zei ze: ‘Volgens mij klaverjassen ze.’ De man keek op en lachte vriendelijk naar haar. Ze deed een stap dichterbij en wees een kaart aan die hij, volgens haar, moest bijleggen. Hij gooide de kaart op en hij en zijn maat haalden de slag binnen.
Dat vonden ze geweldig. Even later mochten we de plaats innemen van twee van de spelers. We verstonden geen woord van elkaar. Nadat een paar afwijkende spelregels ons duidelijk waren geworden, speelden we een uurtje mee.
Ik schrijf deze regels achtendertig jaar later, in 2012, omdat ik bezig ben mijn oude zwart-wit negatieven te digitaliseren. Ik kom nooit afgedrukte foto’s tegen uit Florence. Onder andere een foto die ik daar gemaakt heb van dansende meisjes op een plein, die ik totaal vergeten was.

Keet de Kie

We zitten op de alternatieve veerboot van de EVT naar Terschelling. In de gezellig rommelige salon van de Spathoek staan de stoelen los om de tafels. Overal verspreid zitten wel een paar jongelui met een zwart T-shirt aan. Op hun ruggen staat in witte letters:

Keet de Kie, Blauhûs.
Net om it ien of oars. (Niet om het een of ander.)
Ik gean Jûn wer smoar. (Ik word vanavond weer smoor.)

Het lijken mij vriendelijke jongelui toe uit het Friese dorp Blauwhuis. Bier drinken in Keet de Kie is kennelijk een van de dingen die hen bindt. De jongsten zijn omstreeks zeventien jaar oud en er steekt geen kwaad bij, hooguit wat rumoer. We gaan van boord en ik raak de Blauwhûster’s uit het oog.
De volgende dag zitten we op een terras in Midsland koffie te drinken. Voor de horeca-gelegenheid aan de overkant staat een bord waarop met krijt geschreven is: KATERONTBIJT Verse broodjes, eieren met spek, worstjes, jus, koffie en een vitamine-bruistablet. € 9,90.
Een sliert jongens, gammel hangend over het stuur van hun fiets, komt traag voorbij. De laatste blijft nauwelijks in evenwicht. Hij probeert al fietsend te eten uit een plastic bak met een groene salade. Die moet wel erg ver heen zijn, normaal eet zo’n knul uit zichzelf geen sla. Enige tijd later volgt nog een fiets met achterop een jongen die een winkelkar vol kratten met zich meevoert.
Op de camping verblijven tegenover ons twee jongens in koepeltentjes. Het lijkt of er in de omgeving een bom is ontploft. Lege yoghurtbekers en frisdrankflessen, een zak brood en diverse volle en lege chipspakken liggen in de rondte. Van lege bierdoppen hebben ze een toren gebouwd. Ze staan laat op en slapen dan buiten verder.
‘s Middags voelen ze zich lam, of ‘brak’ en dan begint alles opnieuw.
Andere culturen kennen overgangsrituelen van de jeugd naar de volwassenheid. Jongens moeten een aantal ontberingen doorstaan om bij de mannen te mogen horen. Bij gebrek aan overgeleverde rituelen in onze cultuur hebben ze zelf hun beproevingen maar uitgevonden.

Afsluitdijk

rrrrrt - tikke - takke - tikke - takke - rrrrrt - tikke - takke - tikke - takke -
Ieder moment verwacht ik de rest van de band te horen inzetten. Een paar gitaarakkoorden en de wat ijle stem van Paul Simon. Dat gebeurt niet, het ritme komt van een gehaaste reiziger die zijn rolkoffer over de sierbestrating van de Harlinger promenade trekt.
Dan ben ik bij de halte van de bus die me naar Alkmaar zal brengen. Een kwartier later zijn we op de Afsluitdijk. Een viskotter spuit fonteinen water omhoog om zijn netten op te schonen.
Bij het monument op de dijk, waar ingenieur Lely trots uitkijkt over zijn schepping, stapt een jonge vrouw in.
Nooit geweten dat daar een halte was.
Ze gaat helemaal voorin zitten, zo dicht mogelijk bij de chauffeur, trekt haar jack uit en onmiddellijk ontspint zich een gesprek. Het is duidelijk dat ze elkaar kennen en al spoedig is de vrouw uitputtend aan het woord. Ze vertelt dat ze zonder enige reden ontslagen is en haar collega’s hebben haar als een baksteen laten vallen. Haar treft geen schuld, ze zijn allemaal tegen haar. Hij laat haar uitspreken en luistert, ook al vervalt ze regelmatig in herhalingen.
Middenin deze woordenvloed ontdoet ze haar paardestaart van een bandje en drapeert met een zwaai haar blonde manen om de schouders.
De chauffeur kijkt even opzij en ze glimlacht naar hem.
Ik probeer het gesprek te negeren en kijk naar buiten. Een hoge bewolking weerspiegelt zich in de roerloze plas. De grens tussen lucht en water is onzichtbaar. Een imposante driemaster drijft in het uitspansel. Dit fata morgana verdwijnt pas wanneer de kust van Noord Holland in zicht komt.
Na Den Oever stopt de bus ergens in de buurt van Middenmeer. De vrouw stapt uit en verdwijnt in het groene niets.
Ik raak de song van Paul Simon maar niet kwijt. ‘My travelling companion is nine years old...’ Negerstemmen bassen op de achtergrond.
Daar klopt achteraf niets van. De regel tekst komt uit het nummer ‘Graceland’ waarin geen ritmisch getiktak of negerstemmen te horen zijn.

Peter

Mijn moeder riep van beneden: ‘Adje, er is bezoek voor je, hier is Peter.’
Even later stonden twee tienjarige jongens wat onwennig tegenover elkaar op de overloop van het oude herenhuis aan het Plantsoen in Leiden. Peter keek me wat onzeker en tegelijkertijd hoopvol aan en vroeg? ‘Wil je met me spelen.’ Ik aarzelde even, maar zei toen, ‘ja’. Het begin van een lange vriendschap en gezamenlijke jongensjaren.
Het was 1951 of ’52.
De tuinders uit de omgeving brachten hun verse producten nog per Westlander, de kisten hoog opgestapeld op het dek, naar de veiling. Ze voeren dwars door Leiden en wij lieten ons van een lage brug op het voordek vallen. Soms schold de schipper ons uit, maar hij kon niet bij het roer weg. Meestal waren ze aardig en mochten we helpen met het lossen van de kisten.
We maakten pijl-en-boog van wilgentakken die we buiten de stad afsneden. Als pijlpunten legden we spijkers op de rails van de blauwe tram die er platgewalst onder vandaan kwamen. Daarna slepen we de punten scherp op de straatstenen en monteerden ze aan een schacht met een veer. Dat waren gevaarlijke dingen, ze bleven trillend in een boom staan.
Peter’s vader was zendeling in Nieuw Guinea en in die tijd met verlof in Nederland. Je kon je geen groter contrast voorstellen tussen hoe ik woonde en de familie van Peter. Ons huis was door mijn moeder met zorg ingericht in de vooruitstrevende stijl van het tijdschrift ‘Goed Wonen’. Modern, licht en overzichtelijk.
Het huis van Peter’s vader en moeder was een tijdelijke behuizing, vol met alles en iedereen die erin moest passen. Er was prachtig Papua houtsnijwerk en andere etnografica. Overal hingen fietsonderdelen aan draden, wachtend op hergebruik. Ik vond het daar machtig. Wat Peter van mijn ouderlijk huis vond weet ik niet, het was geen onderwerp van gesprek tussen ons.
Tientallen jaren later, tijdens een telefoongesprek, zei ik eens tegen Peter: ‘Buiten mijn familie ben je de ongeveer enige die nog weet waar ik vandaan kom, hoe het was, hoe het eruitzag.’ ‘Dat geldt ook voor mij, Allaard.’ antwoordde hij op zijn rustige manier.
Peter is er niet meer.

Arriva

In Harlingen stap ik in de boemeltrein naar Leeuwarden. De trein van ARRIVA is comfortabel, de diesel-elektrische aandrijving maakt slechts een licht suizend geluid.
Het is nog vroeg, ik zak wat weg en mediteer over de spreuk: ‘De reis is belangrijker dan de bestemming.’ Dat heeft degene die de naam ARRIVA bedacht niet in zijn overwegingen meegenomen, terwijl het toch een troostrijke gedachte is voor een reiziger met oponthoud.
In Franeker stapt een jongeman met een geruite Pipo broek in. Een eveneens geruit rugzakje en een gebreide, wollen muts met ingenaaide klep completeren het beeld van lichte onaangepastheid. Tegenstrijdig daaraan is de stoere, knalgele wegwerkersjas waarop zilveren, reflecterende banen zijn gestikt.
Hij torst een knaloranje apparaat met zich mee, dat bestaat uit een wiel aan een stang met een handvat. Ik ken het wel, het is uitgerust met een teller waarop je nauwkeurig de afstand kunt aflezen die het apparaat aflegt. Het wordt onder andere gebruikt om bij de oplevering van bestrating exact de aangelegde lengte te meten. Een klembord met formulieren geeft definitief de aard van zijn werkzaamheden aan. Meters tellen. De jongen drinkt een beker koffie uit een rode thermosfles. Hij zit er onderuitgezakt bij alsof de coupé zijn huiskamer is.
Een conducteur komt de coupé binnen en de jongen trekt een plastic kaart uit zijn borstzak. De conducteur knikt en dan ben ik aan de beurt. Hij drukt mijn OV-chipkaart tegen de onderkant van een doosje, aan de bovenkant ziet hij wat erop mijn kaart staat: Soort vervoerbewijs, tijd van inchecken en wat al niet meer. Hij knikt en gaat verder.
Ik verdiep me nog even in de meterteller. Is er een carrière mogelijk in zijn beroep, kan hij voorman van een groep metertellers worden? Hij zou dan ‘s ochtends zijn mannen kunnen instrueren zoals sergeant Esterhaus deed in de TV serie ‘Hill Street Blues’. Na de ‘Roll Call’ stuurt hij ze dan op stap met de woorden: ‘Hey… be carefull out there.’

Caissière

De caissière schuift de boodschappen langs de scanner. Als de streepjescode niet direct wordt gelezen, maakt zij een geroutineerde polsbeweging om het stiekeme oogje over te halen zijn werk te doen.
Een moeder met één kind aan de hand en één in de kar is aan de beurt. Ze laat het oudste kind los dat onmiddellijk het snoep in de buurt van de kassa vindt.
Mama, mamá, ik wil een lolly.
Nee Ronald, andere keer.
Mámá, mámá, lolly.
Hier komen Ronald, we moeten naar huis.
Het jongetje zet een keel op en blijft staan bij het rek met snoep. De moeder beent er heen en pakt hem bij zijn arm. Het jongetje klemt zich vast aan het snoeprek. Intussen begint het kind in de kar te huilen. De andere klanten zien het gelaten aan. Dit schiet niet op. De moeder loopt naar haar kar en zet de boodschappen op de band. Ondertussen praat ze tegen haar peuter.
Mama is hier Angela, we gaan zo naar huis.
De jongen blijft jengelen bij het snoep.
Ronald, ik zeg het nog één keer, nu komen anders blijf je maar hier.
Ze keert zich van hem af om weg te gaan. De caissière weet wat er komen gaat. Het jongetje laat de stelling los en doet twee passen richting kassa, dan valt hij of laat zich vallen. Krijsend ligt hij op de vloer. Een vrouw uit de rij schiet te hulp. Ze pakt het kind op, spreekt het kalmerend toe en brengt het naar zijn moeder. Het drietal verlaat met veel gedoe de winkel.
De caissière laat het, Nog een prettige dag verder, maar achterwege.
Ze glimlacht verontschuldigend naar de volgende klant en scant boodschappen.
Soms droomt ze dat ze het rode oogje van de scanner op de klanten kan richten. Er verschijnt dan handige informatie op haar scherm.
Naam: Rosalie, gehuwd, twee kinderen.
Leeftijd: 26 jaar.
Bijzonderheden: Man weg, huwelijksproblemen.
Ze zou dan kunnen zeggen. Het komt allemaal wel goed Rosalie, hij komt wel weer terug.
Zoiets, in plaats van het afgezaagde. Nog een prettige dag verder.
Het zou niet veel betekenen, maar misschien toch iets.

Journey alone

Een man staat in zijn huiskamer met zijn nette overjas aan. Hij kijkt de kamer rond alsof hij hem voor het eerst ziet. De ongemakkelijke, met pluche beklede stoelen, het donkere dressoir en het hoogpolige tapijt. Toch heeft hij het grootste deel van zijn leven in dit huis gewoond, eerst met zijn vrouw en na haar overlijden, alleen.
Hij staat op het punt te vertrekken naar zijn zuster in Australië. Een keer in zijn leven is hij in Londen geweest. Nu gaat hij de halve wereld rond en het voelt alsof hij zijn huis nooit meer terug zal zien. Nog eenmaal controleert hij de achterdeur, hangt zijn schoudertas om en pakt het gereedstaande reisvalies en de koffer op.
Door de vertrouwde straten loopt hij naar de bushalte. Opeens houdt hij de pas in, aarzelend doet hij nog een paar stappen, stopt en zet het valies en de koffer neer. Hij opent de schoudertas en voelt erin. Zijn hoofd gaat met een ruk omhoog als hij niet vindt wat hij verwacht. Hij pakt het valies en als het ook daarin niet zit, raakt hij in paniek.
Zijn corpulente lijf buigt zich moeizaam voorover waarbij de tas hinderlijk van zijn schouder glijdt. Hij klikt de koffer open en direct puilen de netjes opgevouwen kleren er uit. Een brillenkoker valt met een klap op de straatstenen.
Tegelijkertijd flitst er een beeld voor zijn ogen. Hij ziet glashelder de enveloppe met het ticket en paspoort op het buffet in de huiskamer liggen.

Mers les Bains

Le Tréport is een oude havenstad aan de monding van de Bresle in Normandië. Aan de andere kant van de rivier ligt een veel jonger plaatsje, Mers les Bains. Het is opgetrokken in een uitbundige art déco stijl als vakantieoord voor Parijzenaars. Ieder huis probeert de buren te overtreffen in pittoreske details. De boulevard eindigt aan de kant van Le Tréport in een smal toelopend pand. Met zijn vakwerkmuren, onbegrijpelijke uitbouwsels en rode puntmutsdaken lijkt het wel een uit de hand gelopen fantasie van een Franse Anton Pieck. Het doet je onder de blauwe zomerhemel vergeten dat het weer hier meestal grauw is, met gierende winden. Rond de tijd van het ontstaan, ik schat de jaren twintig van de vorige eeuw, was het waarschijnlijk een mondain oord voor de rijken. Nu is de verloedering al een flink eind op weg. Sommige huizen staan leeg, de meeste zijn slecht onderhouden.
Toch wordt hier nog echt vakantie gevierd. Iedere dag trekken ouders met hun kinderen gewapend met emmertjes en schepjes naar het strand. Ze huren daar een strandhuisje om zich te verkleden en hun bezittingen veilig te stellen. Zo zal het honderd jaar geleden ook zijn gegaan.
Vandaag is het een mooie dag en er is vlooienmarkt. We mengen ons tussen de badgasten en proberen iets bijzonders te scoren. Dan ontdekken we een kleine kermis waarvan de vermakelijkheden ook wel honderd jaar oud lijken. Ook is er een opvallende attractie met echte dieren. Aan een as zijn een zestal metalen buizen bevestigd waar aan het einde een pony is vastgebonden. Ze lopen in deze tredmolen hun rondjes met kinderen op hun rug. Dan staat het paardenspul stil en nieuwe gegadigden melden zich.
Onder hen bevindt zich een tot in de puntjes verzorgde, beeldschone negerin. Ze heeft haar snoezig aangeklede dochtertje op een pony gezet en gebaart naar de uitbater dat hij even moet wachten. Met haar smartphone maakt ze een foto van het kind en stuurt die ongetwijfeld naar de trotse vader.

Zwalm

Via Aalst rijden we richting Oudenaarde en verheugen ons over het lieflijke landschap van Oost-Vlaanderen. Ons einddoel is een camping in het plaatsje Zwalm. We vinden hem met enige moeite en melden ons aan. De broodmagere campingbaas wijst ons vriendelijk een paar plekken waar we kunnen staan. Zijn even broodmagere vrouw schrijft ons wat later in.
Zo kunnen wij de beheerders altijd gemakkelijk herkennen, want verder is bijna iedereen hier dik. Gewoon dik, buitengewoon dik of verbazingwekkend dik. Nagenoeg zonder uitzondering zijn de campinggasten in het bezit van een piepklein hondje.
Als kampeerders met een tent zijn wij duidelijk buitenbeentjes. De gasten komen hier ieder jaar, vaak al tientallen jaren. Wij gaan staan op een plek aan een gemoedelijk laantje.
De caravans staan haaks langs de zandpaden opgesteld. We lopen langs het pad en bekijken de aandoenlijke hekjes en hegjes waarmee de eigenaren hun erven afbakenen. Meestal is er rondom de auto nog een apart, afsluitbaar hek gemaakt, opdat dit dierbare bezit geen enkel risoco loopt.
Voor mij zie ik een moeder met haar tienerdochter lopen. De moeder is dik, maar het meisje is mager en loopt kreupel. Ze heeft Y benen, zo geknikt dat ze zich niet normaal kan voortbewegen.
Wat later, op het terras van het campingcafé heerst er een gezellige drukte. Men drinkt een pint of eet een ijsje. Een jongetje rent rond met een watergeweer. Zijn jongere broertje kijkt bewonderend naar hem op.
Dan zegt mijn vrouw: ‘Kijk, dat jongetje heeft aan zijn hand alleen maar een duim en een pink.’ Als hij in mijn gezichtsveld komt, zie ik dat hij aan beide handen hetzelfde gebrek heeft. Toch ziet hij er niet ongelukkig uit en hij volgt gefascineerd het spel van zijn grote broer. Dan merken wij nog iets op. Hun ouders zijn kleiner dan normaal, bijna dwergen.
Waar zijn we terechtgekomen? Is het drinkwater hier wel veilig? Maar de dikke campinggasten zijn allervriendelijkst. Wanneer ze langs wandelen met hun lachwekkende hondjes zeggen ze ons altijd vriendelijk goedendag.

Werfbaas

Dijkstra lijkt nooit een overbodige beweging te maken. Hij loopt over zijn scheepswerf, met kalme, zware passen in grote rubberlaarzen. Al is hij bezig is met de een of andere klus, nooit zal hij een paar stappen doen zonder iets te verplaatsen. Dat ordenen gaat de hele dag door.
Een scheepswerf lijkt voor de buitenstaander meestal rommelig, maar die van Dijkstra is optimaal georganiseerd. Mijn schip, de voormalige vrachtvaarder Eben Haëzer, rijst statig over de langshelling uit het water. We slaan het samen gade. Ik ben een kop groter dan hij, Dijkstra lijkt echter tweemaal zo breed en straalt een onverwoestbare soliditeit uit.
Hij is op de hoogte van mijn wens om mijn ooit verlengde schip te laten inkorten tot de oorspronkelijke lengte. Dijkstra zegt niets en kijkt naar de langzaam voorbij glijdende romp. Zonder aankondiging zet hij op zeker moment met een krijtje een verticale streep op het zwart geteerde staal. Het valt me aanvankelijk nauwelijks op. Een paar ogenblikken later en een aantal meters scheepsromp verder plaatst hij weer een streep.
Ik vraag hem enigszins verbaasd waarom hij dat doet: 'Dat gaat ertussen uit', kan ik nog net verstaan. Hij is alweer op weg, een loodzwaar stuk metaal torsend. Zes meter wordt er tussen de twee krijtstrepen uit het schip gebrand en dan blijken voor- en achterschip weer perfect aan elkaar te passen.
Een dag of wat later inspecteren we samen het voltooide werk voordat ik mag betalen. Daar staat hij op. Een paar dikke stalen strippen, waarvan ik de bedoeling niet begrijp, zijn over de uiteinden gelast van de naad die beide delen van het schip weer met elkaar verbindt.
Hoewel ik intussen wel weet dat hij niet van vragen houdt, kan ik het toch niet laten: ‘Waar dienen die strippen nu voor?’ Het weinig geruststellende antwoord luidt kort: 'Daar breken die schepen altijd.’ en hij beent weg met zijn zware stap. Zo is onze relatie nogal eenzijdig gebleven, maar ik bewonder hem om zijn onverstoorbaarheid en de natuurlijke wijze waarop hij met ijzer omgaat.

Terrorist

Ik ben met de bus op weg naar Harlingen. Bij de halte ‘Kop Afsluitdijk’ stapt een man in die past bij het plaatje in mijn hoofd van een terrorist. Hij draagt een slobberig, zwart jack over een trainingsbroek. Maar het gaat vooral om zijn hoofd. Ik vermoed iets uit het Midden-Oosten in zijn afkomst. Hij heeft een dik, vlezig gezicht met een dichte, krullerige baard. Een donkere, wollen muts met een meerdere malen omgeslagen rand bedekt zijn hoofd. Het zou zomaar een bivakmuts kunnen zijn.
Hij heeft geen OV pas en moet een kaartje kopen. De chauffeur wacht op het geld terwijl de man rustig een weekendtas in camouflagekleuren doorzoekt. Het zit niet in het eerste vak, uit het tweede haalt hij wat kleingeld tevoorschijn, maar niet voldoende. Het geld lijkt los in zijn tas te zitten. Op zijn gemak graait hij rond in het volgende vak. De chauffeur wacht af maar je voelt dat het hem niet aanstaat. Buiten staan nog meer passagiers te wachten en hij moet verder. Eindelijk heeft hij het bedrag bij elkaar, de chauffeur schuift hem het kaartje toe. De man schuift het terug en zegt: ‘Laat maar zitten.’ Hij laat zijn logge gestalte scheef zakken in de dichtstbijzijnde stoel met één been hinderlijk in het gangpad.
De rest van de passagiers stapt in waaronder twee stekelharige jongens die op de klapstoelen voor gehandicapten gaan zitten. Tijdens de rit is de grootste voortdurend aan het woord. De ander kijkt verveeld om zich heen en geeft nauwelijks antwoord.
Wanneer we Harlingen binnenrijden staat de terrorist op, houdt de stang naast de stoel van chauffeur vast en wacht af. Als de bus vaart mindert bij een rotonde buigt hij zich voorover. Hij zegt iets, de chauffeur kijkt opzij en stopt bruusk voor de haaientanden van de rotonde. Hij opent de deur. De terrorist stapt uit. De bus trekt op terwijl de deur zich sluit. Piep-Piep-Piep doet het alarm.
Dan staat het kleinste stekelbaasje op en vraagt luid aan de chauffeur of hij voor de zeevaartschool kan stoppen. De chauffeur weigert kortaf, en rijdt door naar de volgende halte. .

N.O. Groningen

Langzaam rijd ik met mijn auto over de betonwegen van de Carel Coenraad polder richting Reiderwolder polder. Als fotograaf ga ik meestal te voet, omdat je dan meer ziet. Hier moet ik me kilometers verplaatsen voordat er iets verandert. De leegte is van een on-Nederlandse schaal, er is weinig waar het oog zich aan kan hechten. Op deze hete zomerdag wordt het nog onwerkelijker. Regen en wind zijn hier de meer voorstelbare weersomstandigheden.
In de verte doemt het karakteristieke silhouet op van een dijkdoorgang in een slaperdijk. Er is een hap uit de dijk genomen waar de weg doorheen loopt. Aan weerszijden zijn muren gemetseld die een gestileerd dijkprofiel laten zien. Op de dijk staat een langwerpig houten schuurtje met brede kieren waar de wind doorheen kan waaien. Daarin liggen de vloedplanken waarmee in noodgevallen de opening in de dijk wordt dicht gezet.
Erachter zie ik de Reiderwolder polder opdoemen, zo mogelijk nog leger dan het landschap waarin ik me nu bevind. Ik stop en maak een paar foto’s waarbij ik de doorgang als kader gebruik. Het land erachter draagt diepe sporen van een trekker die er is gekeerd. Het moet op dat moment doorweekt zijn geweest, nu zijn de sporen hard als beton.
Verderop lijkt een boerderij maar niet dichterbij te komen, ik rijd er al minutenlang op af. Wanneer ik er eenmaal ben, zie ik wat een enorm gebouwencomplex het is. De vormen zijn niet opvallend voor een boerderij met loodsen en schuren, alleen de maat is gigantisch. Naast de boerderij ligt een airstrip voor sproeivliegtuigen.
Even verderop stop ik weer en sta op een weg tussen twee afgemaaide korenvelden. Wat doe ik hier? Het is allemaal te groot, ik krijg er geen vat op.
De hitte trilt boven het land en vanuit de verte beweegt een stofwolkje op mij toe. Ik wacht af, het komt snel naderbij en dan zie ik wat het is. Een man op een galopperend paard vliegt langs, de grond dreunt onder het gespierde geweld.

Quarteira

Door een ongelukkig toeval zijn we terecht gekomen in een wat verloederde vakantieflat aan de kust van de Algarve, Portugal. Van daaruit bezoeken we met de busmaatschappij EVA wat aantrekkelijker oorden in het binnenland. We staan op het busstation in de bloedhitte te wachten. Hoe leuk is dit eigenlijk, vraag ik me af. De dieselstank hangt om ons heen als een klamme jas. Aan het loket koop ik kaartjes naar Silves, een stadje ten Noorden van Quarteira, onze verblijfplaats. De vrouw achter het enige loket heeft geen haast. Ze bemoeit zich eerst uitgebreid met een gehandicapt kind, dat achterin het kantoor aan een bureau zit te tekenen.
Waarom gaan we op een dag als deze niet naar het strand dat we gisteren hebben ontdekt? Voorbij de ligstoelen en de in het gelid opgestelde parasols. Het was er prachtig. Vlak langs het strand lag een naaldbos met door de wind geteisterde bomen. De wortels hingen losjes uit de roodbruine, door de zee aangevreten bosrand. Er waren geen strandstoelen verhuurders, geen horeca, niets dan deze bijzondere speling van de natuur. We hadden er in de schaduw kunnen zitten, kunnen zwemmen.
We hebben gekozen voor een warme busrit.
Op het perron zie ik de naargeestige omgeving opeens in een ander licht. Hij wordt weerspiegeld in de gebogen ruit van de luxe bus die ons naar Silves zal brengen.
De grauwe omgeving vloeit onscherp in elkaar. Achter mijn rug passeren mensen die gedurende een ogenblik uitvergroot worden in de sterk gebolde rand van het glas. Het is een filmpje waar de een na de ander op de voorgrond treed. Een vrouw met een hoofddoek, aan haar arm een mandvol groente. Twee giebelende meisjes dartelen in vrolijk gekleurde shirtjes door het beeld. Een oude man in een grijs colbert gaat op in de achtergrond, behalve zijn gezicht, dat in een flits zijn verweerde gelaatstrekken toont.
Iedereen krijgt hier zijn moment, zo niet zijn ‘Moment of Fame’, maar dan toch, gedurende een ogenblik, mijn onverdeelde aandacht.

Galgewater

In mijn tiende levensjaar kwam ik na een verhuizing terecht in Leiden. Iedere dag ging ik op mijn step naar school aan de andere kant van de stad. Langs de koffiebranderij van het Klaverblad op het Leevendaal, waar de koffiegeur soms te sterk was voor mijn jonge neus. Dan door de Breedstraat, ik vergaapte me er aan Märklintreinen in de etalage van de speelgoedwinkel. Daarna via het Kort Rapenburg naar het Galgewater. Daar was de ingang voor leerlingen van de school-met-de-bijbel aan het Noordeinde.
Het schoolplein werd omgeven door hoge gebouwen. Om er te komen moest je door een smalle steeg. Wanneer de school uitging, perste een joelende massa kinderen zich erdoor op weg naar de vrijheid. In het midden bevond zich een hoog ijzeren hek, dat onder schooltijd altijd open stond. Uit de klinkers stak een vervaarlijke ijzeren pen omhoog. Daarmee werd het hek ’s nachts vergrendeld. Ik stelde me voor dat ik in het gedrang zou vallen en dat de ijzeren pin mijn schedel zou binnendringen. Wekenlang liep ik rond met dit angstwekkende beeld, tot het vanzelf verdween.
Het was een aardige school, ik heb er goede herinneringen aan. Een grote, gietijzeren kachel verwarmde ‘s winters het lokaal. Ik heb hem ooit moeten tekenen, met verlopende schaduwtinten om de ronding aan te geven. Het was een eerste les in observeren, maar het tekentalent ontbrak me.
Omdat het een Christelijke school was, moesten we iedere week een psalm of gezang uit ons hoofd leren. Liederen als, ‘De Heer is mijn Herder, dat is al wat mij lust’. Daar had ik geen zin in en mijn vader vond het overbodig. Ik deelde het laatste aan de meester mee toen ik bij de overhoring een beurt kreeg.
De meester nam daar geen genoegen mee. Hij nam contact op met mijn vader en samen kwamen ze tot het volgende compromis. In de klas informeerde de meester mij dat er geen uitzonderingen werden gemaakt. Ook ik moest die onbegrijpelijke teksten erin stampen. Zijn gezag was bevestigd. Hij en mijn vader waren echter overeengekomen dat ik nooit meer een beurt zou krijgen.
Daar kwam ik al gauw achter.

Dooi

Wanneer het flink heeft gesneeuwd, verliest het landschap haar scherpte. Toch kan de wollige aanblik me maar even boeien. Het wordt weer interessant als het gaat dooien en de wereld in abstracte grafiek verandert.
Dat is goed te zien aan de kop van de Afsluitdijk, de plaats waar de dijk na haar tocht vanuit Noord Holland aan land komt in Friesland. Er is daar een stukje niemandsland dat mij altijd weer boeit. De eigenaar is Rijkswaterstaat, schepper van menig kunstwerk in dit land.
Al snel, even voor het gehucht Zurich, splitst een oud stukje zeedijk zich af. De dijk volgde vroeger een ander tracé. Deze slaperdijk zet zich nog even voort om bij Zurich in het weiland op te gaan. Een taak heeft ze niet meer te vervullen, maar in haar overbodig geworden welvingen krijgt het woord dijklichaam extra betekenis.
Haar vrouwelijke vormen tekenen zich duidelijk af in de smeltende sneeuw. Ze ligt nu te rusten in het land, maar ooit heeft ze de woedende zee gekeerd.
Vanaf hier vervolgt de dijk haar tocht naar het Noorden als de Friese zeewering en begint met een ruime bocht aan haar serieuze taak. Bij het monument de ‘Stenen Man’, een paar kilometer verderop ga ik voorzichtig de vierenveertig treden van de trap op, om over de ijsschotsen in de Waddenzee uit te kijken.
Ook vijf betonnen tegels in het talud naast de trap komen weer onder de sneeuw vandaan. Ze markeren de hoogtes die de dijk in de loop van de tijd bereikte. ‘Krun 1570’, ‘Krun 1574’, ‘Krun 1734’, ‘Krun 1883’ en ‘Krun 1930’ staat er op de tegels te lezen. Vanaf de laatste is het nog negentien treden naar de huidige kruin. Maar ook die zal niet hoog genoeg zijn, er moet nog een schep bovenop.
Als de sneeuw smelt, komt het gras in donkere vegen boven en groeit de tekening van het origineel gestaag. De lichtcontrasten worden duizelingwekkend groot. In de schaduwplooien heerst diepe duisternis en langs Noordelijke randen liggen nog witte lijnen. Bij het verdwijnen van de sneeuw vindt Friesland zich stukje bij beetje opnieuw uit.

Honingpot

Ik lees in de ochtendkrant, samengevat, het volgende. In de Argentijnse stad Lima gooide een man bij een echtelijke ruzie de kat naar zijn vrouw. Ze bukte en het beestje vloog uit het raam van de vierde verdieping. De kat kwam terecht op het hoofd van een vijfentachtigjarige vrouw, met een schedelbreuk tot gevolg. Sindsdien ligt ze in coma en vecht voor haar leven.
Tot zover het bericht.
Hoe weet je dat ze vecht voor haar leven? Misschien wil deze vijfentachtigjarige dat helemaal niet.
Eigenlijk wilde ik schrijven over iets onbenulligs. Meestal ontbijt ik met twee bruine boterhammen met iets zoets, jam of honing. Dat vind ik lekker en het geeft energie.
Nu is er iets vreemds in mijn relatie tot de honingpot. Wanneer ik maar mijn hand uitsteek naar de pot heb ik al kleverige vingers. Binnen de kortste keren plakt mijn beker koffie, het mes en wat erger is, ook de krant. Mijn vingers, de beker en het bestek spoel ik af, maar de krant blijft plakkerig. Het is niets vergeleken bij een coma maar toch vervelend genoeg.
De getroffen vrouw was operazangeres, lees ik nog. Ik sla de pagina om en de volgende gaat gelijk mee. Geïrriteerd probeer ik de twee vastgeplakte pagina’s van elkaar te halen. Ze werken tegen en in mijn poging de zaak te redden grijp ik in de duimafdruk met honing. Direct daarop plakken nog twee pagina’s aan elkaar. Handen wassen, diep ademhalen en vooral rustig blijven.
De getroffen operazangeres blijft me ook bezighouden. Een belegen mop over een operazanger luidt: Een normaal mens gaat dood als hij een mes door zijn hart krijgt maar in de opera barsten ze dan in luid gezang uit. In dat licht bezien is het lot van de getroffen zangeres dramatisch. Die laatste aria krijgt ze niet over het voetlicht.
Intussen denk ik ook na over mijn relatie tot de honingpot. Komt dat ooit nog goed? Mijn vrouw schudt haar hoofd en ze heeft gelijk. Ik ben er toch maar lelijk mee behept.

Platteland

Links en rechts van mij strekken de weilanden zich uit tot in mistige verten. Het rode pannendak van een boerderij lost bijna op in de nevel. Verderop de dijk merk ik een menselijke figuur op, er is iets vreemds aan hem. Hij houdt een object aan een steel boven zijn hoofd. Het lijkt wel zo’n ouderwetse TV antenne, met harkerige pijpjes aan een dwarsbalk. Dichterbij gekomen zie ik een man in een parka, hij heeft een koptelefoon op. Zoekt hij hier in het vrije veld naar signalen uit de ruimte? Verwacht hij groene mannetjes uit een UFO te zien stappen? Als ik hem genaderd ben, kan ik me niet inhouden: ‘Neem me niet kwalijk, mag ik vragen waar u mee bezig bent?’
Geschrokken kijkt hij op, hij had me niet aan horen komen. Hij trekt de koptelefoon van zijn oren en zegt vriendelijk: ‘Ik ben van een natuurorganisatie, we hebben hier korhoenders uitgezet en een aantal hoenders zijn met een zender uitgerust.’ ‘Ik zie helemaal geen vogels.’ ‘Nee, ze zijn in de mist verdwenen, maar ik hoor ze nog wel.’
Ik bedank hem voor zijn uitleg en vervolg mijn weg.
Het is rustig op het dijkje, totdat ik achter mij de zware diesel hoor van een naderende trekker. Ik draai me om en zie een blinkend, felgroen monster mijn kant op komen. Achter de trekker hangt een vuilgrijze mesttank. Het gevaarte nadert snel, ik kan een veilige plek vinden bij een open hek. De trekker remt af en komt vlakbij me tot stilstand. Een man in de cabine wenkt me daar weg te gaan, hij moet hier het land op. Ik haast me terug naar de dijk en zie hoe de trekker het weiland opdraait.
Achter de mesttank hangt een mestverspreider. Een monsterlijke octopus met wel zestien dikke, zwarte slangen die naar twee samengevouwen, stalen balken leiden. Op het weiland scharnieren de balken naar beide zijden uit. De boer geeft gas en de mest wordt onder grote druk de grond in gespoten. De slangen ontvouwen zich in symmetrische bogen. Het lijkt nu wel een morsige pauw. Wanneer de ammoniak-stank me bereikt, vervolg ik haastig mijn weg.

Klieuw

Het eerste boek dat ik in mijn leven kreeg, was ‘Klieuw’, geschreven en geïllustreerd door Dr. Nico Tinbergen. Ik heb het nog altijd. Op het schutblad staat in het puntige handschrift van mijn moeder:
Allaard Hidding
Gevers Deynootweg 149, Scheveningen
28 Maart 1949
Het boek gaat over het leven van een zilvermeeuw, van het breken van het ei tot het uitkomen van de eieren van zijn nageslacht. Ik las het met verwondering, over het dierenleven had ik nog nooit nagedacht.
De Gevers Deynootweg ligt parallel aan de boulevard. Als ik de straat overstak en de hoek omsloeg, was ik aan zee. ‘s Zomers zwommen we er, en in andere seizoenen zwierf ik er eindeloos rond.
Op een winterdag zwoeg ik tegen de wind in over het strand, op de achtergrond buldert de branding. Ik zet koers naar de vloedlijn en de geluiden veranderen. Een holle dreun weerklinkt als er vlakbij een grote roller breekt. Het bruisen dat erop volgt, gaat over in gesis wanneer het schuimende water terugloopt. Wanneer de uitloper me overvalt, doe ik snel een paar passen hogerop.
Ik kom bij een pier en ik waag me erop. De meeuwen maken kabaal en pikken mossels van de basaltkeien. De pier is drijfnat en ik vermijd zoveel mogelijk de glibberige, groene stenen. Meeuwen scheren langs, ik blijf staan en volg hun vlucht. Intussen beginnen ze in wijde kringen om mij heen te vliegen. ‘Klieuw, klieuw, klieuw,’ roepen ze. Ik vind het prachtig, ik begrijp hun taal.
‘Klieuw, klieuw,’ roep ik terug. De meeuwen zwermen in steeds engere cirkels om me heen. ‘Klieuw, klieuw,’ roep ik weer. Dan zie ik de grote, gekromde snavels van de vogels die nu op me af duiken en ik word bang. Overhaast begin ik aan de gevaarlijke terugtocht. De meeuwen blijven me belagen. Ze scheren langs me heen en ik kan hun machtige vleugelslagen voelen. Ik bescherm mijn hoofd met mijn armen, zelfs op het strand achtervolgen ze me nog.

© Allaard Hidding 2012