Incasseerder

Het is vier stappen van het aanrecht naar het buffet. Ik pak een bord en zet het op tafel. Terug naar het aanrecht. Koffiemachine aanzetten en het reservoir bijvullen. Uit de koelkast komen koffiemelk, jam en gezonde margarine. De koffiemelk zet ik op het aanrecht. Met de jam en de margarine loop ik naar de eettafel. Drie stappen.
Enzovoort.
Eindelijk zit ik met mijn ontbijt en de krant aan tafel. Op de voorpagina lees ik de volgende kop: Vijfhonderd op de vlucht voor huizenschuld. Voor mijn geestesoog zie ik vijfhonderd mensen rennen door de Flevopolder, achtervolgd door hypothekers in dikke BMW’s en Audi’s.
Met sommige krantenberichten ben ik na de kop wel klaar, toch lees ik verder. De strekking is, dat er per jaar ongeveer vijfhonderd huizenbezitters op de vlucht slaan omdat ze hun hypotheekschuld niet meer kunnen betalen. De banken lijden daar miljoenen schade door.
De uitspraak wordt in de mond gelegd van een incasseerder van het bureau Hypocasso. Geen woord over de vluchtenden, die stellig niet voor hun plezier in deze situatie zijn terecht gekomen. De redacteur kreeg een persbericht en maakte er een stukje van.
Punt.
Een bankdirecteur heeft een probleem, het is zijn verantwoording dat alle centjes van de bank netjes binnenkomen, daarom belt hij Hypocasso. Vervolgens gaat hij naar huis, kust zijn vrouw, onderhoudt zijn zoon over zijn schoolprestaties en troost zijn dochter met haar stukgelopen verkering. Na het eten laat hij zijn vrouw alleen met de TV om naar de postzegelclub te gaan.
Om mezelf wat op te vrolijken geef ik een draai aan de vluchtscène alsof het gaat om een aflevering van de oeroude TV serie, ‘Duke’s of Hazard’. Eén van de hypotheekvluchtelingen is in een oude Amerikaanse slee met staartvinnen de incasseerder steeds te slim af. Begeleid door hillbillymuziek op een cassettebandje, slipt hij door de haakse bochten van de Flevopolder, terwijl de incasseerder steeds dom rechtdoor rijdt. Helaas wordt hij uiteindelijk toch klemgereden door de zwarte limousines van ING en ABN-AMRO.

Shoppen

Ik zit alleen in een coupé bovenin een dubbeldekker van Amsterdam CS richting Alkmaar te wachten op het vertrek. Er komt een blonde vrouw met een paardenstaart binnen, haar slanke gestalte strak afgekleed in het zwart. Ze gaat aan de andere kant van het gangpad zitten. Als de trein het station verlaat, is boven het IJ een ogenblik een geschubde reuzenvis te zien. Het is het toekomstig onderkomen van ‘EYE’, Film Instituut Nederland. Tussen Sloterdijk en Zaandam duiken we de Hemtunnel in, waar de duisternis slechts onderbroken wordt door onrustig flakkerende lichtbakken.
Na Zaandam pakt de vrouw haar mobiel, ze telefoneert met haar vriend. We zijn nog steeds met zijn tweeën in de coupé, ik moet het gesprek wel horen.
Ze is alleen op stap en dat zint hem niet. Het gesprek verloopt ongeveer als volgt: ‘Luister eens, zegt ze, het is mijn vrije dag, ik kan gaan en staan waar ik wil. Ik ben alleen maar een middagje naar Amsterdam, lekker shoppen.’
Hij is lang aan het woord.
’Wat jij allemaal sms’te kan je helemaal niet maken, waar zie je me voor aan.’ Ze kijkt even mijn kant op en gaat verder niet in op de sms’jes.
Hij weer.
’Ga je me bedreigen?’ zegt ze.’Er is niets aan de hand, ik ben een middagje shoppen, ik zit in de trein en ga naar huis. Ik kan gaan en staan waar ik wil, al ging ik naar ‘s-Hertogenbosch. Ik ben alleen maar een middagje shoppen, wat is daartegen?‘
Er komt een vluchtige gedachte voorbij; zeker een allochtoon die vriend. Tegelijkertijd voel ik mij beschaamd, alsof er geen bezitterige, autochtone hufters bestaan.
Het gesprek gaat nog steeds op hetzelfde thema door. Als het eindelijk afgelopen is, kijkt ze strak naar buiten zodat ik haar gezicht niet kan zien. In Alkmaar verlaten we gelijktijdig de trein. Ze houdt de coupédeur vriendelijk voor me open en kijkt me onderzoekend aan, dan loopt ze verder.

Spookbeelden

Het is niet bijzonder verontrustend maar wel wat merkwaardig dat ik af en toe verschijnselen waarneem die anderen niet zien. Ik zeg bijvoorbeeld tegen mijn vrouw, ‘Kijk daar eens, er is iets, het beweegt.’ ‘Wat dan?’ antwoord ze ongeïnteresseerd, want ze hoort mij dat wel vaker zeggen. ‘Ik weet het zeker, iets draaide om zijn as, iets lichts en nu is het weer weg.’
Ze maakt zich er niet druk om. Tenminste niet zolang ik geen Mariaverschijningen te melden heb. Ik wil het nu toch wel weten, zie ik die beelden echt of zijn het hersenspinsels.
Om die reden heb ik het plan opgevat ze te fotograferen. Ik draag nu altijd een kleine, digitale bij me om ze te fotograferen. Het is niet eenvoudig. Nog steeds zie ik regelmatig vanuit mijn ooghoeken dingen bewegen, maar meestal ze zijn te snel weer weg.
Soms blijven ze even staan, maar als ik mijn camera heb gericht zijn ze van karakter veranderd of te vaag geworden voor een duidelijke foto. Zeldzaam zijn de keren dat het wat langer duurt, gedurende een ogenblik zijn ze dan stabiel. Bij die gelegenheden heb ik er een paar kunnen vastleggen.
Ik heb ze afgedrukt op millimeterpapier maar nog aan niemand laten zien. Ze moeten worden opgemeten en gecatalogiseerd, of met een computerprogramma voor wolkenherkenning geanalyseerd, dan kom ik er wel achter. Ik moet weten wat het is.
Ik kan aan niets anders meer denken en de verschijnselen treden steeds vaker op. Het maakt me angstig en er is ook iets veranderd in mijn omgeving. Dit lijkt niet op mijn kamer in ons huis.

Hamburger Bahnhof

In het Hamburger Bahnhof Museum Berlin hangen onder de overkapping van het voormalige station de transparante luchtballonnen van Tomás Saraceno. De trossen zijn al los, maar opstijgen zullen ze niet.
Nadat we het spektakel in ons hebben opgenomen, besluiten we koffie te gaan drinken in het museumrestaurant. Bij binnenkomst worden we overrompeld door de kakofonie van tientallen door elkaar pratende mensen. We vinden een tafeltje en worden vlot aan koffie geholpen door een struise blondine met een gebeeldhouwde vlecht over haar schouder.
Het restaurant bevindt zich in de voormalige stationsrestauratie, waarvan de sfeer goed bewaard is. Over de stenen vloer hebben honderdduizenden mensen gelopen, wat aan het geometrische motief een milde onscherpte heeft verleend.
Na de koffie betreden we verkwikt het museum en vermoeid van de hoeveelheid tentoongestelde kunst keren we een paar uur later terug naar het restaurant. We vinden een plekje in de overvolle zaal tijdens het lunchuur. Ik wenk een ober die eruitziet of hij nog uit de inboedel van de vroegere stationsrestauratie stamt. Hij loopt raar, eerst denk ik dat hij mank is, later zie ik dat hij een bochel heeft. Hij snelt voorbij met een vol blad, schijnbaar zonder ons op te merken. Even later staat hij toch aan onze tafel om kalm de bestelling op te nemen.
Opvallend aanwezig is een rijzige matrone in een lila gewaad. Ze verorbert een forse karbonade en drinkt daarbij een halve liter bier, terwijl haar schriele metgezel het met een simpel slaatje moet stellen. Als ze het eten naar binnen heeft gewerkt, staat ze op en slaat met een kordate zwaai haar gebreide stola om. Ze zegt iets dat klinkt als een bevel en stevent op de uitgang af. De man blijft zitten met zijn vork halverwege de mond, een sliertje groen hangt als een treurig vlaggetje naar beneden. Ik zie zijn twijfel, dan legt hij het bestek moedeloos neer en staat moeizaam op.

Kluns

Ik zet bijvoorbeeld tijdens het aanvegen van het terras een bezem tegen een tafel. Als ik mij omdraai maakt de bezem geheid achter mijn rug een huppeltje en slaat met een klets tegen de grond. Of ik leg de krant op een rand van de tafel en tien tegen één dat hij even later op de grond ligt. Nu kun je denken dat ik een onhandige kluns ben en misschien is dat ook zo. Ik sta kennelijk niet op goede voet met de zwaartekracht of er is iets mis met mijn coördinatie.
Dat is niet altijd zo geweest. Als jongen van een jaar of acht speelde ik in Scheveningen op de brokstukken van opgeblazen bunkers. Zonder na te denken sprong ik van betonrots op rots, van scherpe piek naar piek. Nooit heb ik mij bezeerd. Nu kunnen die betonblokken niet huppelen maar met mijn coördinatie was het toen best in orde.
Wanneer of waarom is het mis gegaan? Heeft de aftakeling al vroeg toegeslagen of heb ik de godin van de zwaartekracht niet voldoende respect betoond. Dat kan al gauw, ze lijkt me een godin met weinig gevoel voor humor. Het kan altijd maar een kant op, naar beneden.
Omdat ik na mijn zeventigste mij medisch moet laten keuren voor mijn rijbewijs, waarbij ik tien tellen op één been moet kunnen staan, ben ik op Yoga gegaan. Aanvankelijk was de yogales voor mij een nogal gênant gebeuren. De meeste deelnemers waren jonge vrouwen van in de dertig. Ze gingen moeiteloos op één been staan alsof ze dat thuis onder de douche zo gewend waren. Ik mocht van de yogajuf mij met een hand steunen tegen de muur. Dat deed mijn ego geen goed, maar yoga helpt wel.

Kreutzberg

Aan het einde van de Grimmstrasse in Berlin-Kreutzberg komt een brug in het zicht. Er lijkt wat aan de hand te zijn, hij is volgepakt met mensen. Ze hangen over de brugleuningen of ze zitten op betonnen kubussen die de scheiding van twee rijbanen markeren.
Na een regenachtige week is het eindelijk mooi weer geworden. Studenten, ouderen, punkers en yuppen, alles wat maar in Kreuzberg woont, is hierheen gekomen. Aan het einde van deze zomerse dag keren ze hun gezichten naar de zon om van de laatste stralen te genieten voordat hij ondergaat in het Wehrmacht Kanal.
Op de hoeken van de Grimmstrasse zijn een paar Pizzeria’s gevestigd. We zoeken er een uit waar, lange tafels met spartaanse zitbanken op het terras onder de bomen staan. Het is er tjokvol en je schuift aan waar er maar plaats is. De sfeer is opgewekt en er klinkt gelach op. De bediening wurmt zich behendig tussen de banken en tafels door, de armen hoog geheven en met meer borden in de handen dan je voor mogelijk houdt. Ik bestel een pizza met parmaham en rucola. Wanneer hij wordt geserveerd doet hij mij denken aan een wietkwekerij, maar na het verwijderen van het overtollige groen is hij lekker.
Als we het restaurant verlaten belanden we in een grote groep jongelui, die zowel uit opvallend uitgedoste punkers als keurig geklede Japanse meisjes bestaat. ‘Modepunkers’ verklaart mijn dochter deze melange later. Dat maakt het voor mij niet begrijpelijker, maar voor haar blijkbaar wel.
In het midden van deze menigte steekt een man met kop en schouders boven de rest uit. Een magere bonenstaak gekleed in een lang, wit hemd en kortgeknipte spijkerbroek. Hij heeft een wasbleek gelaat, vuurrood gestifte lippen en is volledig kaal geschoren: hoofd, armen en benen. ‘Het is een travestiet,’ zegt mijn vrouw, ‘hij loopt op hoge hakken.’ Dat is me niet opgevallen, maar op mij maakt hij de indruk van Pierrot, verdwaald in de grote stad.

Paradoxine

De sublieme eenvoud waarmee de vergaderzaal is ingericht, kan alleen verkregen worden met heel veel geld. Nu is dat geen probleem voor deze multinational, producent van geneesmiddelen.
De grote ovale tafel, waar de complete raad van bestuur kan aanzitten, rust op een fragiel ogende metalen constructie, die het gewicht van het in een kostbare houtsoort uitgevoerde blad moeiteloos torst. Op enige afstand van een van de korte zijden van de tafel staat voor de gelegenheid een volledig transparante en naadloos uit glas vervaardigde katheder.
De bestuursleden komen binnen en als laatste arriveert de voorzitter. Hij spreekt de vergadering enige tijd toe en drukt dan op een onzichtbaar knopje op de lessenaar. De deur gaat open en een correct geklede man komt binnen.
Je ziet direct aan zijn houding dat hij de mindere is van de andere aanwezigen. De voorzitter stelt hem aan de vergadering voor en geeft hem het woord. De man neemt plaats achter de glazen lessenaar, legt een mapje papieren klaar en gaat onwillekeurig even met zijn hand langs zijn gulp.
Hij begint zijn verhaal.
‘Zoals de voorzitter reeds heeft meegedeeld heeft de afdeling research een nieuw product ontwikkeld.’ Hij klikt op een ander, eveneens onzichtbaar, knopje en op het projectiescherm achter hem verschijnt een reusachtig vergroot pilletje en het woord PARADOXINE. ‘We hebben het project de werktitel Paradoxine meegegeven, de uiteindelijke productnaam zal waarschijnlijk een andere zijn.’
Hij gaat uitvoerig in op de problemen bij het onderzoek om de werkzame stof te verkrijgen en de voorstellen voor de fabricage. Hoewel de verwachtingen hoog zijn gespannen, waarschuwt hij dat er nog veel moet gebeuren voordat het in de markt gezet kan worden.
Een van de bestuursleden breekt in: ‘U heeft een nieuw geneesmiddel ontwikkeld, excellent, dat is uw vak. Maar even een kwestie die u nog niet heeft aangeroerd, ter bestrijding van welke kwaal?’
De man kijkt hulpeloos om zich heen en zegt: ‘Dat lijkt me meer iets voor de afdeling marketing.’

Campingleed

De kleine camping ‘An der Kost’ is gelegen aan de oever van het lieflijke riviertje de Ruhr. Wij hebben ons bij aankomst gemeld bij Karl, ‘Der Chef’, zoals er op de receptie vermeld staat. Er zijn veel vaste bewoners met caravans, ze zitten nogal eens met een biertje voor het optrekje van Karl te kletsen.
We staan er al een paar dagen als een auto het terrein oprijdt waar een man uitstapt, kort daarna arriveert een jongen op een scooter. Uit de auto komt een kartonnen doos met een gloednieuw, piepklein koepeltentje, dat ze samen opzetten. Als ze klaar zijn vertrekken ze, de oudste met de auto de ander op zijn scooter.
In de zonnige namiddag keert de laatste terug met een vriendin. Het meisje heeft een figuur dat niet zou misstaan op een schilderij van Rubens. Uitgedost in een Gothic outfit met metalen ornamenten is ze overdressed voor het buitenleven.
Ze is enigszins ontzet als hij haar uitnodigt in het koepeltje, maar na wat heen en weer gepraat krijgt hij haar toch zover. Een paar minuten later ritst de jongen het geval helemaal dicht. Oef, dat wordt warm daarbinnen.
De voorhang gaat na een half uur weer open en ze kruipen naar buiten. Haar kleding is nu helemaal aangepast aan het campingleven. Later op de avond probeert de jongen op een mini-barbecue grote worsten te grillen. Ze willen maar niet gaar worden. Uiteindelijk eten ze toch alles op en verdwijnen in hun nylon nachtverblijf.
De dag daarop gaan ze samen met de scooter op stap. In de middag komt de man met de auto terug. ‘Der Chef’ komt uit zijn hok en gaat in discussie met wat de vader van de jongen blijkt te zijn. Hij wil de auto niet op het terrein hebben. De vader probeert de jongen te bellen en krijgt geen gehoor. Vervolgens pakt hij vloekend de tent met toebehoren in en vertrekt.
Wanneer het paar tegen de avond innig verstrengeld de camping opkomt, constateren ze verbijsterd dat alles is verdwenen. Ze laten elkaar los en proberen ieder voor zich deze brute inbreuk op hun idylle te verwerken.

Cola

Een man loopt langs de terrassen van een mediterrane badplaats. Ze zitten vol mensen die zich lijken te amuseren. Als hij een terras naar zijn zin heeft gevonden, loopt hij door het middenpad en zoekt een tafeltje. Hij baant zich een weg naar een hoek aan de kant van de promenade en gaat zitten. Het kijkspel begint.
Vooral de schaars geklede vrouwen trekken zijn aandacht. Bij gebrek aan een partner en te verlegen om met vreemden contact te maken is observeren zijn enige mogelijkheid.
Na een poosje zoekt hij een ober, hij wil een Cola. De ober serveert een paar tafels verderop een blad met drankjes. Hij wacht tot de man klaar is en zijn kant op kijkt, dan zal hij hem discreet wenken. Maar de ober gaat naar binnen zonder hem op te merken.
Er komt een tafel vrij die direct bezet wordt door een jong stel. De ober komt terug, serveert drankjes en loopt naar de nieuwe gasten. Hij neemt hun bestelling op en gaat naar binnen. Gelaten wacht hij af en het herhaalt zich nog een paar keer. Zijn goede humeur verduistert en hij zint op een manier om zijn aanwezigheid kenbaar te maken. Maar er is voor hem geen goede manier, hij zal niet opstaan en zijn stem verheffen.
Dat durft hij niet.
Nog steeds wordt hij niet opgemerkt door de bedrijvig heen en weer lopende ober. Zijn boosheid groeit en slaat om in zelfmedelijden. Waarom uitgerekend hij altijd? Het overspoelt hem onafwendbaar, hij is helemaal alleen met zijn ongeluk. Er welt een traan op en nog één. Geluidloos begint hij te huilen, tranen druppen op tafel.
Langzamerhand trekt het de aandacht van de mensen om hem heen. Ze kijken naar de ingehouden snikkende man en vragen zich af of ze er iets aan moeten doen. De ober komt het terras op en merkt dat alle aandacht zich richt op die ene tafel, waar een man alleen zit. Hij gaat erheen en terwijl hij zich over de ineengedoken figuur buigt, vraagt hij: ‘Anything I can do for you, sir?

Trampoline

Aan de weg tussen Makkum en Allingawier liggen een paar boerderijen. Eén ervan verschuilt zich achter een dubbele rij bomen, toch kun je vanaf een bepaald punt een gedeelte van het oude voorhuis en de stal zien. Dit doorkijkje doet mij denken aan genreschilderijen zoals er in de loop van de tijd zoveel zijn gemaakt. Het is een iconische voorstelling, zo stellen wij ons een boerderij in een ongerept verleden voor.
Er is echter iets dat het beeld doorkruist. Op het grasveld tussen de boerderij en de bomenrij staat een trampoline opgesteld, een cirkelvormige constructie van metalen buizen waarin een helderblauw zeil is gespannen. De aanwezigheid ervan verandert het effect volkomen. Er spelen nu geen kinderen maar ik kan me gemakkelijk voorstellen hoe ze springen en buitelen binnen het kader van het overvloedig gebladerte.
Ik loop verder richting Makkum, ondertussen blijft het plaatje me bezighouden. Het doet me denken aan een ervaring die ik ooit had in Museum Ludwig in Keulen. Ik liep voor de eerste keer door al die zalen waarin je zo mooi het ontstaan en de ontwikkeling van de moderne kunst kunt zien.
Aan het einde van een lange passage tussen een aantal museumzalen hing een duister schilderij met in het centrum een helder witte rechthoek. Dichterbij gekomen zag ik de volgende voorstelling. De schilder heeft met krachtige streken een oude boerenhoeve neergezet onder een dreigende lucht. Op de bleek ervoor ligt een laken. De witte rechthoek contrasteert zo sterk met de rest van het beeld dat hij een goede reden gehad moet hebben om het zo weer te geven. Ineens begrijp ik de betekenis, hier ontdekte de schilder de zeggingskracht van een abstracte, geometrische vorm. De schilder was Max Liebermann (1847-1935) die bekend staat als de kunstenaar die de Duitse schilderkunst de moderne tijd inloodste.

Skuzum

Tijdens een wandeling langs de Makkumer Zuidwaard sla ik de smalle asfaltweg richting Skuzum in. Het loopt over een slaperdijk, het land links en rechts van de dijk ligt aanzienlijk lager. De sloten tussen de weilanden kronkelen alle kanten op waardoor de percelen op de stukken van een puzzel lijken.
Het dijkje heeft walkanten die steil aflopen naar de sloten, en tussen het asfalt en het talud is er nauwelijks plaats voor een wandelaar. Er passeren hier weinig auto’s, maar nu zie ik er in de verte toch een uit het dorp komen.
Hij trekt snel op en tegen de tijd dat ik ga uitzien naar een veilig plekje is hij op topsnelheid. Wat een gek, zo te racen op dit dijkje. Een pol gras geeft nauwelijks steun om veilig te wachten tot hij voorbij is, en deze coureur is niet van plan vaart te minderen.
Op het laatste moment stap ik onwillekeurig nog iets opzij, ik glijd weg en kan me ternauwernood vastgrijpen aan een graspol. Moeizaam kom ik met bonzend hart weer overeind. De nu hatelijk toeterende auto verdwijnt richting Gaast. Ik kijk hem verbijsterd na.
Woedend en mezelf beklagend ga ik verder. Ik overweeg of ik het incident zal aangeven bij de politie. ‘Heeft u het kenteken genoteerd of weet u het merk en de kleur van de auto?’ ‘Nee.’ Einde verhaal.
Deze inbreuk op mijn wandeling heeft me ontregeld. In het vervolg van mijn tocht bedenk ik allerlei scenario’s voor mogelijke wraakacties. Alsof ik er behagen in schep om mijzelf gekwetst te voelen en hem vervolgens met gelijke munt te betalen.
Ophouden met die onzin, zeg ik streng tegen mezelf. En dan nog, al zou ik hem te pakken krijgen, wat moet ik beginnen tegen zo’n pummel?

IJveer

Tijdens het wachten op de pont van de NDSM werf naar het Centraal station in Amsterdam staat naast me een vrouw te telefoneren. Ze heeft geen luide maar wel een doordringende stem en ik kan haar moeiteloos verstaan.
Keer op keer beklemtoont ze dat de zorg voor een zieke vrouw haar teveel wordt. Het gaat niet om de medische verzorging, daar komt de thuiszorg voor, maar om iemand die kan luisteren. Zij kan dat niet meer want daarvoor is ze te verdrietig. Er moet professionele hulp komen, iemand die niet in de war raakt van haar lijdensweg.
Opeens begrijp ik dat het om haar moeder gaat, die op sterven ligt. Onwillekeurig ga ik een paar stappen bij haar vandaan. Ze merkt mijn beweging op en draait zich van mij af. Ik kan haar niet meer verstaan maar de melodie blijft dezelfde.
De pont legt aan en stroomt leeg. Ik ga naar binnen en bemachtig een zitplaats op een van de metalen tractorzadels. Een groep meisjes in de lagere schoolleeftijd vult kwetterend de ruimte. De kinderen worden tot kalmte gemaand door hun begeleiders. Dat lukt niet, de energie spat eraf en heeft ruimte nodig. Ze worden naar het voordek gestuurd. Daar beginnen ze in een kring een klapspelletje. Als op commando draaien ze zich telkens om naar de buurvrouw aan de andere kant en kletsen verder de handen tegen elkaar. Ze scanderen er een rijmpje bij.
Ik versta alleen de telkens terugkerende woorden: Academie fysica, wat me vreemd voorkomt in een kinderversje.
Na een minuut of tien varen komen we bij het centraal station aan. De kinderen gaan joelend als eerste aan wal. De vrouw met de zieke moeder sjokt er achteraan, de telefoon aan haar oor geklemd.

Bougainville

Op een druilerige zondagmiddag zit ik wat foto’s te bekijken van een vakantie op het Griekse eiland Lesbos. Het kan met recht een paradijselijk oord worden genoemd, wat niet wegneemt dat het ik het soms wat saai vind. In een speeltuintje schommelt een klein meisje. Ze is net achter een struik bloemen tevoorschijn gekomen en staat op het punt weer te verdwijnen. Haar moeder, grootmoeder en overgrootmoeder zitten erbij op een muurtje te kletsen, de laatste is gekleed in het zwart van weduwen. In de schaduw van een struik bougainville staat een handkar, een eenvoudige platte bak op drie wielen, afkomstig van verschillende voertuigen. Op de kar liggen jurken en andere kleding, veel ervan is zwart. De vrouw die ze uitvent is waarschijnlijk een tuin binnengegaan op zoek naar een klant. Een paar kiekjes tonen huizen met ommuurde tuinen, over de muren hangen weelderige trossen roze, oranje, paarse en rode bougainville. Ik herinner me ook bossen witte lelies, maar de bougainville herinnert mij aan de lome middagen. De tuinen dienen als huiskamers en zo zijn ze ook ingericht. Een bank, een tafel en wat stoelen. Door de druiven die de terrassen overschaduwen valt gefilterd licht. De Grieken rusten er tot de hitte voorbij is en daarna begint kalmpjes aan het leven weer. Een familielid of bekende komt door het tuinhek met een doos groente uit eigen tuin. Na een tijdje vertrekt hij met een zak vis of wat eieren. Deze ruilhandel gaat altijd door, het is een levenswijze en er komt geen geld aan te pas. De toeristenindustrie, de consumptiemaatschappij, competitie en corruptie - kortom het moderne leven - zijn ook volop aanwezig. Daarnaast is er op het platteland nog die oude levensstijl, zelfvoorzienend, wat ruilhandel en je niet al te druk maken.

Pinnen

Een jongen hangt onderuitgezakt aan een tafeltje op een zomers terras. Spelend met zijn mobieltje grist hij opeens de telefoon van zijn jongere zuster uit haar hand. Hij kijkt op het scherm en probeert een SMS bericht te openen. Zij wil dat niet en ze knokken even om het ding, het is meer stoeien dan echt bonje. Hun moeder zegt, niet onvriendelijk, dat ze moeten ophouden.
Ze zitten met zijn vieren bij een drankje te wachten op het eten. Het gezelschap bestaat uit de moeder, haar nieuwe vriend en haar twee kinderen. Ze heeft ze grotendeels alleen opgevoed, ze is al jaren geleden gescheiden. De zoon is een jaar of zestien en de dochter wat jonger.
‘Ik moet nog pinnen.’ zegt de jongen. Hij staat op en gaat het dorp in. Na een paar minuten komt hij onverrichter zake weer aanlopen. De vriend van zijn moeder wijst de andere kant op, naar een duidelijk zichtbaar uithangbord met het logo van een bank. Even later komt hij terug aan tafel en bergt zijn portemonnaie op.
De man vraagt: ‘Heb je een bonnetje gekregen?’ ‘Zal wel, weet ik niet.’ ‘Ik zou het bonnetje toch maar even halen, je weet anders niet of je hebt gekregen wat er wordt afgeschreven.’
Hij kijkt de man geërgerd aan maar gaat toch. De nieuwe vriend van zijn moeder is de kwaadste niet en hij is tenminste niet zo krenterig als zijn eigen vader. Die begint altijd over geldgebrek te zeuren, alsof dat zijn schuld is. Hij komt terug met het bonnetje en de man vraagt: ‘Wat leert je dit nu?’
‘Nou niks.’ zegt hij, nu duidelijk geïrriteerd.
‘Check en dubbelcheck, anders weet je nooit wat er met je geld gebeurt.’ Zwijgend kijkt de jongen naar de grond, het meisje kijkt naar haar broer. De moeder wendt haar ogen van de man af en kijkt naar haar kinderen. Er sluipt iets ongemakkelijks in het gezelschap, iets wat er eerder niet was. De moeder en de kinderen sluiten zich op in een onzichtbare cocon.
De man denkt, wat is er toch met deze drie? Met haar alleen is het prima, maar met die kinderen erbij.

Mani

De wandeling van Stoupa naar Agios Nicolaus gaat over een smal pad. In de diepte schuimt de Middellandse zee tegen de rotsen. Een visser, je snapt niet hoe die naar beneden is gekomen, werpt met een brede zwaai zijn lijn uit. Op verschillende plaatsen zijn brokken rotswand door erosie neergestort in zee. Het beeld van de met rotsblokken smijtende reuzen in de Griekse mythologie zou hier ontstaan kunnen zijn.
In de bermen groeien en bloeien tientallen, misschien wel honderden verschillende bloemen. De ongebreidelde kleurenpracht is achteloos gerangschikt. Het boeket aan mijn voeten kent lila, paars, donkerpaars en paars met een overmaat aan rood. Soortgelijke kleurenwaaiers kun je ook opmaken voor groen en geel. En als je toch bezig bent, vergeet dan niet de blauwe en blauwgroene tinten van de zee, het azuur van het uitspansel en de grijsblauwe, nevelige verten.
Er komt een echtpaar aanlopen waarvan de man een statief met videocamera torst. Hij stelt het apparaat op en richt de lens op de berm. Enthousiast roept hij naar zijn vrouw: ‘Ik zie een heel bijzondere wants.’
Wantsen ken ik alleen van het woord bedwantsen, vieze beestjes waarvoor vroeger de was werd uitgekookt. Zo kijken we allemaal met andere ogen. De een zoekt schoonheid in de wereld van het kleine, de ander in de grootse trekken van het landschap.
Donkere wolken kleven aan de bergtoppen, maar boven mij is de hemel schoon. De wolken projecteren eilanden van schaduw op de berghellingen, en de rest staat in een oogverblindend licht. De scène lijkt bewegingloos, maar als je een paar minuten later weer kijkt is alles veranderd.
Het leven in dit deel van de Peloponnesos, Mani geheten, speelt zich af in de smalle strook land tussen de bergen en de zee. Een huis, een weg, een dorpje, dat is het wel. Elektriciteitspalen als luciferhoutjes onderstrepen nog eens de kwetsbaarheid van de menselijke aanwezigheid. Mensen hebben het hier niet echt voor het vertellen en mochten ze het eens vergeten dan laten de goden de aarde onder hun voeten beven.

Kerel

Een pilaar onttrekt mij aan het oog van een flink deel van de zaal. Het is geen bewust verschuilen, de pilaar fungeert min of meer als het gezelschap dat ik ontbeer. In de zaal staat men in groepjes met elkaar te praten. Het zijn vooral mannen. Schouder aan schouder vormen ze in hun keurige pakken een hecht kordon. Een groepje met wat vrouwen erbij is wat levendiger. Op lage banken rondom zitten andere vrouwen gezellig te kletsen. De mannen die erbij rondhangen zijn niet helemaal serieus. Ze maken frivole complimenten of plagerige grappen.
Ik zie het aan zonder me er druk om te maken. Namens mijn werkgever ben ik de gastheer op deze feestelijke bijeenkomst en dat legitimeert mijn aanwezigheid voldoende. Een oudere heer loopt langs me heen op weg naar de uitgang en zegt in het voorbijgaan: ‘Mooie tentoonstelling.’ Mijn bedankje gaat verloren want de man is al doorgelopen.
Ik zou nu eigenlijk naar het meest gesloten mannelijke blok moeten gaan en me toegang verschaffen. Daar staan de belangrijkste heren die de opening van de tentoonstelling met hun aanwezigheid vereren. Ik weet dat het niet gemakkelijk zal gaan. Iemand zal iets moeten wijken om mij toegang tot de kring te verschaffen. Onbewust, of anders ongemerkt, zullen zij ieder voor zich de overweging maken wie dat zal moeten doen. Ik ben immers van aanmerkelijk minder importantie dan de mannen in de kring. Het is ook nog mogelijk dat ze me doodeenvoudig negeren.
Eerst maar eens een drankje halen, dan zie ik wel verder. Een vriendelijke dame is hetzelfde van plan. Zij complimenteert mij met de tentoonstelling en vraagt of het veel moeite heeft gekost al deze kunstschatten bij elkaar te brengen. Ik schat haar achter in de veertig, wat ouder dan ik. Waarschijnlijk heeft ze mijn geïsoleerde positie opgemerkt en probeert mij op mijn gemak te stellen. Als ik me dat realiseer voel ik me toch wat opgelaten. Een beetje kerel zou in mijn plaats de ster van het feest zijn.

Portret

Mijn schoonvader van eenennegentig heeft vijf jaar geleden zijn vrouw verloren. Hij treurt nog altijd om haar. De last der jaren valt hem zwaar en ik kan hem niet altijd meer volgen. Zo heeft hij in zijn hoofd gezet dat ieder lid van de uitgebreide familie een portret van ma bij zich moet dragen. Een foto iets groter dan een pasfoto. Of ik daarvoor wil zorgen, er zijn ongeveer dertig stuks nodig.
Zijn keus is gevallen op een portret dat zijn jongste zoon van haar heeft geschilderd. Het is een goed gelijkend portret met een karakteristieke uitdrukking. Het toont haar observerend oog met een vonkje milde spot. Ik maak een foto van het schilderij en laat het afdrukken. De foto's staan met zestien stuks op een vel en ik zal ze zelf op maat snijden. Wanneer dat is gebeurd leg ik ze op een stapeltje, alle portretten kijken netjes dezelfde kant op. De stapel ligt nu als een blokje voor voor mij op tafel.
Dan merk ik iets vreemds op. Ma kijkt me niet aan op dit portret maar haar blik is indringend genoeg, zeker als ik mij realiseer dat het portret tweeëndertig maal herhaald wordt. De ogen achter haar brillenglazen zullen zich keer op keer op dezelfde plaats bevinden, laag voor laag. Het is alsof ik door de stapel heen kan kijken en steeds opnieuw diezelfde blik ontmoet. Het lijkt wel een goocheltruc waarbij een vrijwilliger uit het publiek steeds weer hartenvrouw uit een spel kaarten trekt.
Wanneer Pa zondagmiddag op bezoek komt, krijgt hij de portretjes. Onzeker neemt hij een fotootje in de hand. ‘Is dat Mama?’ Hij houdt de foto omhoog om het licht er beter op te laten vallen. ‘Ik kan het niet meer zien.’ zegt hij. Hij wil er een in zijn beurs hebben, zijn dochter helpt hem daarbij. ‘Voorzichtig hoor, ‘t mag niet geschandaseert.’ Achterin dan maar. Hij bergt hem op en wij zullen de portretten aan de overige leden van de familie sturen.

Dieren

Even over dieren. Mijn kennis van de dierenwereld is op zijn best middelmatig te noemen. Ik hoor niet tot het legioen van vogelaars dat op de Friese dijken ruimschoots is vertegenwoordigd. Mijn voorliefde gaat uit naar mussen en andere tuinvogels. Die kan ik bekijken vanuit mijn stoel in de keuken. Ik houd ook van katten maar mussen en katten gaan niet goed samen. Dus jaag ik katten van het erf ten gunste van de mussen.
Buiten kibbelen de mussen om wat broodkorstjes terwijl er genoeg is voor allemaal. Net mensen dus. Dat is een voorbarige conclusie want je kunt net zo goed zeggen dat mensen in dat opzicht net mussen zijn. Veel gedrag is niet voorbehouden aan één soort terwijl exclusief menselijke gedragingen niet altijd tot onze beste eigenschappen behoren. Bijvoorbeeld het voor de lol afschieten van dieren.
Ik zit voor het raam en aanschouw een heel herkenbaar tafereel. Een musje landt bij een verleidelijk hapje maar het heeft een veertje in de snavel. Het nestbouw seizoen is net begonnen. Je ziet de twijfel, het kostbare veertje laten gaan of het voedsel versmaden. Keuzestress is niet alleen menselijk. Het kopje gaat met schokkerige bewegingen heen en weer alsof er iets hapert aan de besturing. Uiteindelijk overwint de honger. Het veertje wordt neergelegd en hij begint te pikken maar intussen let hij er goed op.
Dan landt er een merel op de tafel. Ook een favoriete vogel van mij, maar voor de mus is hij een maatje te groot. De merel jaagt hem met een achteloze beweging weg en begint in het brood te pikken. Het veertje waait verloren naar de grond.

Engelen

De Makkumermeerpolder, in de volksmond ‘de Mar’ genoemd, ligt in zuidwest Friesland tussen Makkum en Exmorra. Anderhalve eeuw geleden was het nog een zompige plas.
Ik loop er doorheen richting Schraard in een niet al te best humeur. Daar is geen bijzondere reden voor, soms heb je van die dagen. Wat ik om mij heen zie staat me ook al niet erg aan. De overheersende kleur van het landschap is groen. Geen aangename schakering van frisse tinten, maar een triestig dofgroen.
Nu besef ik wel dat het landschap wordt gekleurd door de stemming waarin ik verkeer. Daar kan ik ook niets aan veranderen. De Mar is niet mooi of lelijk, het is gewoon polderlandschap. Vroeg in de ochtend, als er grondnevel hangt waar de zon doorheen schijnt, is het er betoverend mooi.
Intussen denk ik, tegen mijn zin, aan die keer dat ik op het station in Amersfoort met een lach werd begroet door een jonge vrouw. Ze noemde me bij mijn voornaam. Ik liet mijn geheugen op volle toeren spinnen, maar ik kon haar niet vinden. Ze merkte het op en haar gezicht betrok. Toen herkende ik haar. Zij was het meisje waar ik tijdens mijn militaire dienst een poosje mee scharrelde. Ik probeerde de zaak nog te redden maar het was al te laat.
Waarom loop ik er, een half mensenleven later, nog over te tobben? Toch kan ik het niet uit mijn hoofd zetten, hier in de leegte van de Mar.
Zo loop ik wat te kniezen als er van achteren een mij onbekend suizend geluid snel naderbij komt. Het is geen fiets, dat geluid zou ik herkennen. Terwijl ik me omdraai zoeft een gestalte voorbij, en nog één. Ik kijk ze na, twee jonge meiden op skeelers verdwijnen met grote snelheid uit het zicht. Hun blonde paardenstaarten wapperen achter hen aan. Voor hun lange, soepele slagen hebben ze bijna de hele breedte van de weg nodig.
Mijn chagrijn komt me opeens onbenullig voor. Ook in de Mar kunnen er engelen op je pad komen.

Pier

Ik wandel op de Harlinger havenpier als een man en een vrouw mij tegemoetkomen. Zij hebben een hond bij zich. Een woest, ruigharig beest met een muilkorf. Hij loopt voor zijn bazen uit, niet aangelijnd. Wanneer hij mij bereikt drukt hij zijn muilkorf met kracht in mijn kruis. Hij kan niets uitrichten met die korf, maar toch. Ik kijk ongelukkig naar de man en zijn vrouw zegt: ‘Hij doet niks hoor.’ Het is het type man waar ik liever niet mee bakkelei maar ik kan niet nalaten te zeggen: ‘Toch vind ik het onaangenaam.’ Hij kijkt mij minachtend aan, haakt de hond aan een lijn en rukt hem met een grauw bij mij weg. We gaan ieder ons weegs.
Als je rustig doorloopt is het ongeveer een kwartier naar het einde van de pier. Hij omarmt met een ruime boog het bekken van de Nieuwe Willemshaven. Dan volgt er een knik en met een tweede boog eindigt hij voorbij de andere havenpier in zee. Wanneer ik geluk heb, ben ik daar alleen en dat is vandaag het geval. Er varen imposante wolkenschepen kalmaan op de Noordwestelijke wind. Daaronder is de scheiding tussen lucht en water amper zichtbaar. Op één plek na, daar dringt tussen de wolken een bundel zonlicht door en er wordt een scherpe lijn op de horizon getekend.
Terwijl ik daar sta, loopt de ‘Sand Harrier’ de haven binnen. De immense zandzuiger lijkt meer op een vijandelijk ruimtevaartuig in een Sience Fiction film dan op een schip. Hoog boven de dekken, opgetuigd met onrustbarende installaties, hangt een glanzende ruimtecabine.
Op de terugweg kom ik meer mensen tegen. Een ontmoeting op de pier met vreemden heeft altijd iets licht ongemakkelijks. Het pad is breed genoeg om elkaar ongehinderd te passeren. Maar het is te smal om voor te wenden dat je elkaar niet opmerkt. En je weet van elkaar, we zijn niet op weg naar iets wat dringend of noodzakelijk is. We zijn hier om een frisse neus te halen en ons even te bevrijden van onze dagelijkse beslommeringen.ll

Exmorra

Ik loop langs het van Panhuysen Kanaal. Van Makkum naar Exmorra is dat een mooie wandeling van ruim een uur. Vanuit de polder kun je het water in het kanaal achter de hoge oeverwal niet zien. In de verte steekt het torentje van Allingawier er net bovenuit. Groepjes fietsende schoolkinderen komen me tegemoet. Ze kletsen en lachen.
In Exmorra aangekomen ga ik naar de bushalte. Een uur lopen vind ik voor vandaag wel genoeg. Bij de halte staat een jonge vrouw te wachten. Ze heeft een wat pafferig, bleek gezicht en draagt een ruim vallend jack. Ik kijk haar aan en informeer: ‘De bus komt er zeker zo aan?’
‘Ja, dat hoop ik wel.’ Ze wiebelt voortdurend van het ene been op het andere en zegt dan onverwacht: ‘Als ik te lang moet staan, val ik flauw.’ Op mijn vraag wat de dokter daarvan vindt, antwoordt ze: ‘Hij kan er niks aan doen, ik ben in verwachting en dan gebeurt dat wel vaker. Laatst stond ik in een winkel bij de kassa en floeps, daar ging ik onderuit.’
We praten nog wat door. Ze gaat boodschappen doen in Makkum. Als ik vraag waarom ze niet naar Bolsward gaat - dat is groter en er zijn meer winkels - komt er een praktisch antwoord. De supermarkt in Makkum is bij de bushalte. De bus gaat nog een paar haltes verder en komt dan weer terug. Dan kan ze op dezelfde strippen weer naar huis.
De bus arriveert en ze gaat schuin tegenover me zitten op een zitplaats voor invaliden. Ik wacht af of ze het gesprek nog wil voortzetten, maar ze sluit zich af voor verder contact. Tijdens de rit denk ik er nog even over na. Exmorra is een gehucht met ongeveer vierhonderdvijftig inwoners. Het ligt tussen Makkum en Bolsward in, beide op ongeveer vijf kilometer afstand. Op zaterdag en zondag komt er geen bus door Exmorra. Er is geen winkel, er zijn alleen wat toeristische zaakjes. In Makkum is ze als eerste uit de bus. Volgens de dienstregeling heeft ze zeventien minuten voor haar boodschappen.

Dweilen

De keuken heeft een vloer van ruwe planken. Er staan stoelen op de tafel en ik ben de open ruimte voor het aanrecht aan het dweilen. Opeens stoot de dweilstok ergens tegenaan. Ik trek de dweil terug en kijk wat me tegenhoudt. Er staat een raar dingetje op de vloer. Als ik ik op mijn hurken ga zitten, zie ik tot mijn afgrijzen een vinger door een gaatje steken. De vinger komt met twee kootjes boven de vloer uit en priemt in mijn richting. Dat is op zichzelf niet beangstigend, alleen maar een vinger maakt weinig indruk. Maar wat zit eraan vast, daaronder die vloer?
Ik vraag me af wat me te doen staat. De neiging om de vinger beet te pakken wordt overstemd door afschuw. Is dit alleen een vinger of ligt er een lijk?
Vanaf dit punt beginnen de beelden te vervagen. Ik word wat ongemakkelijk wakker en probeer me de droom te herinneren. Dat lukt maar ten dele. Zo kan ik mij het meubilair niet goed voor de geest halen. De ruimte had ook geen wanden, deuren of ramen. Althans, daar wordt het beeld onduidelijk. Ik weet ook niet meer waarom ik in dat onbekende huis aan het dweilen was.
Nu ik toch wakker ben, besluit ik om het verhaal af te maken en het op te schrijven. Talloze mogelijkheden dienen zich aan. Het moeilijkste zal zijn de onbestemde kwaliteit van de droom te vangen. Een verhaal waarin de gebeurtenissen zich niet achtereenvolgens lijken af te spelen, maar tegelijkertijd in mijn droom aanwezig.
Ik zal de vinger beetpakken en er zachtjes aan trekken. Hij zit vast, maar er is geen reactie voel- of hoorbaar. Gelukkig laat het vlees ook niet los van de botten; een mogelijkheid die op hetzelfde moment bij me bovenkomt. Het idee om door het luik in de gang in de kruipruimte op onderzoek te gaan, is me te gortig. Ik besluit de politie te bellen, die mag dat lugubere werkje opknappen. De politie neemt niet op, de beltoon gaat eindeloos over en lost langzamerhand op in het duister.

Oerd

Als een van de laatste passagiers ga ik aan boord van de veerboot ‘Oerd’, naar Ameland. De salons zijn overvol. De ruimte is verzadigd van het geluid van tientallen kletsende mensen. Een paar honden beginnen nijdig tegen elkaar te blaffen. Vooral een miniatuur exemplaar, zittend in een handtas en gehuld in een roze hansopje, keft oorverscheurend.
Met moeite vind ik een plekje, met uitzicht op de balie voor koffie, pils en snacks. Een geur van warme worst drijft voorbij. Kinderen rennen door de gangpaden. Vaders en moeders gaan de kleinere kinderen bezorgd achterna. Een vader komt terug na de zoveelste uitbraak van zijn zoontje met de tegenstribbelende peuter in zijn armen. Hij zet hem met een zwaai op de bank en zegt: ‘Ga maar mooi naar buiten kijken.’ Buiten is de zee vlak en de hemel grijs. Naar buiten kijken? An me hoela, rennen wil ik! De peuter zit berstensvol met wat in het Duits zo mooi ‘bewegungslust’ heet. In zijn pogingen het kind te beteugelen stoot de vader een buggy om. De jassen die eraan hangen, slingeren door het gangpad.
Naast me, aan de andere kant van een schot dat de banken van elkaar scheidt, zit een meisje te turen op het scherm van haar smartphone. Ze is zich ogenschijnlijk niet bewust van de opgewekte chaos om haar heen. Haar verblijf in een parallelle wereld is ook te verklaren uit de witte oordopjes van haar iPod. Om ongemerkt mee te kunnen kijken, verschuif ik een beetje.
Een knipperend, felrood object is op weg over een traject vol hindernissen naar een onheilspellend ogende bestemming. Met bezwerende gebaren van haar duim probeert ze het rode knipperding de weg te versperren naar het onvermijdelijke einde.
Plotseling valt er een schaduw over alles om mij heen. Ik kijk op, we zijn in de haven. Donkere kademuren schuiven voorbij. Muren zo hoog dat de gedachte even bij mij opkomt: Kunnen we dit schip nog wel veilig verlaten?

Strandwandeling

Waaiende wolkenformaties tegen een bleekblauwe hemel maken de wandeling langs het brede strand bij Julianadorp tot een feest. De vloed komt op en de golven hebben witte kuiven. Ik word in de richting van Callantsoog geblazen. Opeens graait de wind de alpinopet van mijn hoofd. Ik doe een paar snelle stappen om de pet te pakken. Mis. De alpino wordt opgeblazen tot een wiel en begint voor mij uit te rollen. Halfhartig zet ik nog een sprint in, maar het is al te laat. Rollend en tollend verdwijnt hij uit het zicht. Het verlies is spijtig maar de wind woelt nu wel lekker door mijn haren. Ik bedenk dat mijn pet wel door kan rollen tot de Hondsbosse zeewering bij Petten.
Vol goede moed zet ik mijn wandeling voort. De scheermessen knerpen lekker onder mijn zolen in het harde zand langs de vloedlijn. Windribbels vormen fraaie patronen.
In de verte staat een ding dat ik aanvankelijk niet kan thuisbrengen. Uiteindelijk manifesteert het zich als een bromfiets. De brommer leunt tegen een stevige stok die in het natte zand is gestoken. In de wijde omtrek is er geen levende ziel te bekennen. Als ik de bromfiets wat beter bekijk, zie ik dat het achterwiel mijn alpinopet heeft opgevangen. Ik buk me diep, raap hem op en stop hem in mijn zak.
Voor de brommer strekt zich een pier uit, die door de vloed wordt overspoeld. Ik kijk eroverheen naar de zee. In de verte beweegt iets maar het lijkt niet op een schip. Wat het ook is, het komt naderbij. Het blijkt de bijbelse verschijning te zijn van een man die over het water loopt. Een visser, een stevige man in een overlevingspak met een hengel over zijn schouder komt op mij toelopen. Het water schuimt tegen zijn laarzen. Hij negeert me volkomen en loopt rechtstreeks op zijn bromfiets af.
Ik sta daar wat onhandig te kijken. Uiteindelijk druip ik af, in plaats van hem aan te spreken. Dat voelt wat onbenullig, maar aan de andere kant. Wat had ik tegen hem moeten zeggen?

© Allaard Hidding 2011