Pa

‘Hoho e’s even, dooie dingen zijn geen baas.’ Dat zou Pa vroeger gezegd hebben als hij zijn sigarendoos niet open kreeg of een ander huishoudelijk ding niet naar wens functioneerde. Nu is hij negentig en laat hij het probleem al gauw aan anderen over.
We zijn op zondagmiddag in het bejaardenhuis in Wolvega om hem een paar uur gezelschap te houden. Het komt meestal neer op klaverjassen met zijn drieën. Dat kaartspel wordt in het algemeen met vier deelnemers gespeeld, maar er ontbreekt er één in ons gezelschap. Die ene is zijn overleden vrouw, die nog altijd pijnlijk wordt gemist.
Ma, dus.
Pa heeft de neiging om zijn dochter, Jos, mijn echtgenote, een beetje te bevoordelen. Hij legt weleens een onnodig hoge kaart bij haar neer. In het begin ergerde ik mij eraan, maar het went.
Aan de naam Jos zal hij nooit wennen. Bij haar geboorte werd zij Johanna genoemd. Als zij zich aan de telefoon meldt ‘Met Jos’ zegt hij zonder mankeren: ‘Ha, Joke.’ Dat is de roepnaam die Ma en hij haar hebben gegeven.
We klaverjassen. De kaarten worden gedeeld. Hij pakt ze met zijn grote werkmanshanden één voor één op, bekijkt ze onder de lamp en rangschikt ze in zijn hand. ‘Het zal mij benijen.’ zegt hij op dat moment meer dan eens.
Hij geeft ermee aan dat het lang niet zeker van is, hoe dit zal aflopen. Of hij verklaart: ‘Het liket mijn net te bêst.’ als een ander het spel moet beginnen en hijzelf hoge kaarten heeft. En ook: ‘Een kiepe zit drie weken.’ (te broeden) als een speler te lang talmt.
Wanneer hij zelf het voortouw moet nemen en zijn kaarten geven hem weinig kans op een goede afloop, zegt hij met stemverheffing: ‘Heer in den hemel!’ Ma zou op dat moment vast en zeker gezegd hebben: ‘Het benne maar kaarten.’

Schooljeugd

Vanuit mijn woonplaats Makkum vertrek ik met de bus naar Leeuwarden. In Bolsward stroomt hij vol met middelbare schooljeugd. Ze reizen iedere dag op dit traject en dat is te merken. De jongelui voelen zich op hun gemak en zijn niet bijzonder luidruchtig. De ramen zijn beslagen en dat versterkt de huiselijke sfeer.
Op de terugweg stappen er in Bolsward opnieuw scholieren in. Er zijn nu ook wat jongere kinderen bij. Ik bedenk dat het waarschijnlijk een ander soort school is dan de groep op de heenweg. Daar had ik niet bij stilgestaan. Het waren HAVO/VWO leerlingen, denk ik nu. Deze lijken me meer van het VMBO afkomstig, of misschien van een of andere vorm van speciaal onderwijs.
Voor mij zit een jongen met op zijn schoot een robuuste vrachtauto, gemaakt van blik en allerlei bij elkaar gescharrelde onderdelen. Hij bekijkt hem van alle kanten, doet de motorkap open en dicht en gaat helemaal op in zijn eigen wereld. Hij lijkt mij wel wat te oud voor zulk speelgoed. Ik buig me naar hem toe en vraag of hij de auto zelf heeft gemaakt?
Glimmend van trots beaamt hij dat en begint me uitvoerig uitleg te geven. De motor is een stuk schroot en de wielen zijn gemaakt van deksels. Hij stopt er niet meer mee tot we in Makkum zijn. De bus remt af en hij vraagt onverwachts: Of ik denk dat de auto als oud ijzer nog iets op kan brengen?
Ik bezweer hem de auto niet te verkopen, zo’n mooie vrachtauto. Daar is hij het, nadenkend, mee eens en stapt uit.

Leisteen

Op een sokkel in onze huiskamer ligt een bijzonder gevormd brok leisteen. Het lijkt een creatie van een moderne beeldhouwer. Maar dat is het niet.
Een jaar geleden brachten we de maand oktober door in Zuidwest Portugal aan de Atlantische kust. We zijn aan het pootjebaden aan een door grijze leisteen rotsen ingesloten strand. Je kunt zien hoe de zee in de loop van de tijd de baai uit de rots heeft gevreten. Ook op het strand en in zee steken steenformaties omhoog. Tegen een meer dan manshoge, donkergrijze kubus slaan de Atlantische golven stuk.
Ik bedenk dat het water het op den duur toch zal winnen van dit imponerende brok steen. Verderop lijkt een rij enorme haaientanden vast te zitten aan een prehistorische kaak onder het zand. Een betere lokatie voor een beeldentuin kan ik mij niet voorstellen.
Zich onbewust van deze associaties spelen kinderen tussen de rotsen in de grillige zee. Portugezen zoeken er naar eetbare schelpdieren.
Mijn vrouw komt naar me toegelopen met een steen die ze in zee heeft gevonden. We kijken er met verwondering naar. Het doet me denken aan een oeroud symbool, als een swastika. Maar er is geen mens aan te pas gekomen, het is een kunstwerk door de zee gebeeldhouwd.
Het ligt hier voor me en ik zou wel weer aan dat besloten Portugese strand willen zijn. Waar gisteren en morgen even geen betekenis hebben en de overgave aan het beleven van het ‘hier en nu’ vanzelf gaat. Een domein dat meer de oceaan toebehoort dan aan het land.

Niets

In de hal van het museum hangt een weldadige stilte. Het is nog vroeg, de eerste bezoekers komen binnen, twee dames van middelbare leeftijd.
Ze kijken een beetje wantrouwig om zich heen, gaan naar de balie en kopen een kaartje. De medewerkster legt uit wat ze kunnen verwachten.
Ze informeert de dames dat er een bijzondere tentoonstelling is te zien van een Japanse textielkunstenares.
De dames klappen hun handtassen dicht en kijken om zich heen. Eén van hen gaat naar de ingang van de tentoonstellingszaal. Ze houdt zich met beide handen vast aan de marmeren omlijsting van de entree terwijl ze de zaal inkijkt. De tentoonstelling is ingericht met de soberheid van een zentuin.
Na een poosje draait ze zich om en verklaart op luide toon: ‘Annie, hier is helemaal niets te zien.’
Ik herinner me dit incident als ik door het landschap van noordwest Friesland rijd. Regelmatige patronen van sloten en wegen doorsnijden de uitgestrekte vlaktes met hier en daar een boerderij.
Menigeen zal denken, hier is niets te beleven, wat moet ik hier. Anderen, zoals ik, zeggen: ‘Goddank, eindelijk even niets. Hier vind je rust voor het oog en ruimte voor de geest.’
De zeedijk is het enige wat er uitspringt. Het langgerekte volume beneemt het uitzicht op de horizon. Vanaf een afstand vertoont de overgang tussen het vlakke land en het talud van de dijk zich als een lijn. Een tweede lijn wordt gevormd door de scheiding tussen het dijklichaam en de hemel erboven. De horizon lijkt verdubbeld, alsof er iemand een experiment in zinsbegoocheling heeft gedaan. Rijkswaterstaat heeft dit landschap getransformeerd tot ‘Landart’.
Een kunstwerk gecreëerd in opdracht van alle Nederlanders.

Huishoudelijk geweld

Verstrooid bladert hij in de krant, het kan hem niet erg boeien. De sport niet en de politiek al helemaal niet. Op pagina zes of zeven blijft zijn oog haken aan de zin: ‘De Rotterdammer werd rond het middaguur aangehouden op verdenking van huishoudelijk geweld en ingesloten.’ De vergissing van de redacteur die het bericht plaatste, tovert een halve grijns om zijn mond en zijn fantasie slaat op hol.
Had de man de stofzuiger zo krachtig gehanteerd dat de gordijnrails sneuvelden en de meubels omvielen? Nauwelijks een reden tot insluiting in een politiecel. Of was er een competitie ontstaan onder de huisgenoten in bedden opmaken of ramen lappen, waarbij de ruiten braken? Hadden ze een wedstrijd afwassen georganiseerd met als gevolg dat het servies door de keuken vloog? Wie kan er het snelst aardappels schillen, met zelfverminking tot gevolg?
Gemene trucs en slinkse manieren om de strijd te winnen, werden niet geschuwd. De afwaszeep is vervangen door olijfolie, de hoeslakens zijn met grove steken dichtgenaaid en het aardappelmesje is geslepen als een scheermes.
De man heeft het in alle categorieën moeten afleggen tegen vrouw en kinderen. Zijn ego was zo gekwetst dat hij zijn vrouw heeft toegetakeld met de buis van de stofzuiger. De ambulance en de politie zijn eraan te pas gekomen.
Hij kijkt op de klok en staat op. Het gemengde bericht vermeldde geen sappige details en het echte verhaal blijft verstopt in een dossier van de politie.

Treinreis

Het geratel van wielen over de rails en de grommende dieselmotor maken dat we elkaar nauwelijks kunnen verstaan. Dat weerhoudt een vrolijke groep Portugezen in onze coupé niet om luidkeels door elkaar te praten.
Op de bank naast ons ligt een jonge vrouw in een ongemakkelijke houding. Haar voet zit akelig in het verband en ze houdt hem angstvallig omhoog. Tegenover haar liggen twee krukken. Ze zoekt naar een comfortabeler houding en als ze die heeft gevonden, valt ze al spoedig in slaap.
De trein verdwijnt in een sleuf in het heuvelachtige landschap, waarbij het geluid door de weerkaatsing een hels volume bereikt. De machinist zet de diesel nog een paar tandjes hoger en laat zijn tweetonige hoorn loeien.
De Portugezen staken intussen hun conversatie niet, integendeel, ze proberen onversaagd boven het lawaai uit te komen. Een kleuter in hun midden wordt het te machtig en begint te krijsen. Onmiddellijk strekken drie paar mollige armen zich naar hem uit. De vrouw die hem oppakt, smoort hem bijkans in haar moederlijke boezem.
De diesel kalmeert wat en na een paar stoten op de hoorn begint de trein af te remmen. Buiten zie ik dorre velden en verder niets. Toch naderen we een station. Een rij hutten met golfplaten daken schuift voorbij. Kinderen voetballen met een petfles.
Voor een dichtgetimmerd stationsgebouw komen we met roestig geknars tot stilstand. Een lange strook beton vormt een perron. Alles, maar dan ook echt alles, is bedekt met graffiti. Ook de muren met veelkleurige tegels, die het station in het verleden enige allure hebben gegeven.
Op de voorgevel staat, boven de graffiti-grens, de naam van een stadje dat ik niet te zien krijg: Mexiloheira Grande.

Vlechtjes

Op de boulevard van Lagos, Portugal zegt een Nederlandse man geërgerd tegen zijn vrouw: ‘Ga jij nu maar, ik kom zo wel.’ Waarop de vrouw luidkeels uitbarst in de volgende instant dichtregels:

‘Nee.
Je moet met me mee,
voor de portemonnee.’

Een zwartgallige gedachte zou zijn dat die man er louter voor het geld is maar het gaat er alleen om dat de parkeerautomaat gevuld moet worden.
Ik loop door naar een druk plein met goed gevulde terrassen. Op een hoek zit een meisje kaarsrecht op een keukenstoel. Ze heeft een opvallend witte huid, een melkige tint wit die ik vooral van Engelse vrouwen ken. Het kind heeft lang, vlasblond haar en een muizengezichtje.
Haar tengere lijf tekent zich af tegen de machtige gestalte van een negerin die achter haar stoel staat. De vrouw is gehuld in een bont gewaad dat haar armen, schouders en een overvloedig decolleté vrijlaat.
Afrika is dichtbij en veel van haar landgenoten proberen hier wat te verdienen. Haar handen bewegen rustig maar onophoudelijk. Ze vlecht het blonde haar van het Engelse meisje, voor het gemak noem ik haar maar zo, tot tientallen kleine vlechtjes. Straks zullen al die staartjes gerangschikt worden in een fraai, strak over de schedel gespannen patroon.
Ze zal er dan uitzien als het fotografisch negatief van haar zwarte leeftijdgenootjes. Wanneer ze zichzelf in de spiegel terugziet, zal ze alleen die vlechtjes zien en opgetogen aan mom en daddy vragen of ze het mooi vinden.

Kampioenen

Op weg naar het busstation loop ik door de hoofdstraat van Bolsward. Ik passeer het uitbundig gerestaureerde stadhuis waarvan de met veel bladgoud versierde ornamenten blikkeren in de zon.
Verderop staat de deur van een makelaarskantoor open. Ik werp een vluchtige blik naar binnen. Op de donkerbruine ontvangstbalie staan twee zilveren kampioensbekers. Het zijn van die opzichtig versierde kelken die eraan herinneren dat de eigenaar ooit ergens de beste in is geweest.
Stonden ze in een café, dan wist ik het wel. De kastelein stelt de biljartprijzen tentoon, of de bekers van de plaatselijke voetbalclub. Maar is het mogelijk om kampioen makelaar zijn?
Welke makelaar is de beste en hoe meet je dat? Met een jury zegt het me niks, dat wordt allemaal gekonkel en gekuip.
Kampioenen in het konkelen hebben we genoeg in Nederland. Ze staan regelmatig met hun tronie in de krant. Wedstrijden hoef je er niet voor te organiseren, dat gaat continu door.
Hoe noem je de bezigheden van een makelaar eigenlijk. Makelen? Eén ding is zeker, een makelaar maakt merkwaardig genoeg niets. Hij makelt hooguit wat. Makelen vind ik later terug in het groene boekje maar niet in het handwoordenboek van van Dale.
Dan ben ik bij het busstation, een plaats waar de ontmoedigende werkelijkheid de omzwervingen van de geest verdrijft. In de bus werkt de OV-chiplezer niet. De chauffeur zegt dat ik daarom gratis mee mag. ‘Dat eet geen brood’, antwoord ik opgewekt waarop de chauffeur me bevreemd aankijkt. Goedgehumeurd ga ik zitten.

Duinkant

Vanaf de hoogste duintop in de omgeving kijk ik uit over ‘Camping de Duinkant’. Daarachter ligt vers gemaaid gras in brede banen verspreid over de weiden. In de verte zijn de dijk en het wad zichtbaar. Het is eb, in een paar kreken glinstert het laatste water nog. Dit overzichtelijke landschap bevindt zich aan de oostkant van Terschelling.
Wanneer ik me omdraai ziet de wereld er totaal anders uit. Wuivend helmgras blikkert in de zon. In de verte zie ik tussen twee duintoppen een stukje zee, herkenbaar aan de horizon, de enige rechte lijn temidden van al deze welvingen.
Ik neem het allemaal in mij op en langzamerhand wordt het rustig in mijn hoofd. Of ik zo één minuut blijf staan of tien minuten, ik weet het achteraf niet meer. Misschien is dit de toestand die mensen met meditatie proberen te bereiken. Tenslotte wend ik me weer naar de waddenkant.
Een man in een rood jack is naar boven geklommen, een meter of twintig van mij vandaan. Even onder de top is hij blijven staan met zijn rug naar me toegekeerd. Hij staat daar in een mannenhouding; de benen iets gespreid, de knieën licht gebogen. Hij staat te plassen.
Ik draai mij nogmaals om naar de duinen en alles is veranderd. Een netwerk van paden verraadt zich door groepjes fietsende toeristen. Het helmgras glinstert nog maar ik zie nu ook verkeersborden. Het landschap is gewoon duinlandschap geworden, nog steeds mooi, maar zonder de hypnotiserende werking die het eerder op mij uitoefende.

Bruine vloot

Op het haventerrein van Makkum staan een Duitse touringcar uit Essen en nog een aantal Duitse busjes. Overal hangen groepjes jongelui rond, omgeven door tassen en rugzakken. Het is vrijdagmiddag, het moment waarop de charterschepen na een week zeilen hun groepen afleveren. Er liggen al een aantal schepen aan de kade, tjalken en klippers met twee en soms drie masten.
Naast een van de schepen zit een jongeman met opvallend rood haar - een echte vuurtoren - te prutsen aan een gemotoriseerde bakfiets. Zijn van nature bleke huid is verbrand tot frambozenrood.
Een klipper vaart behoedzaam de haven binnen, er is weinig ruimte om te manoeuvreren. Het schip keert aan de ingang van de haven waar nog voldoende ruimte is en vaart achteruit verder de haven in.
De meeste jongelui zitten, na een week samen doorgebracht te hebben op een beperkte ruimte, wat uitgeblust bij elkaar. Op twee of drie na interesseren de ze zich niet voor het geploeter met het schip.
De klipper is langzamerhand dichterbij gekomen en de maat probeert een lijn naar een tjalk aan de kade te werpen. De eerste twee keren mist hij, maar dan klettert de tros op het dek. De schipper van de tjalk, een mooie, stoere brunette, pakt hem op. Ze maakt vast en dan is het verder een makkie.
Even later zie ik de schipper van de tjalk in een hoekje hartstochtelijk staan zoenen met de roodharige jongen. Uiteindelijk geven ze elkaar nog een stevige knuffel en dan vertrekt hij met vlammende kuif op zijn knetterende bakbrommer.

Muggen

Op het balkon van hun vakantie appartement genieten ze van een drankje in de avondzon als de muggen een charge inzetten. Mopperend gaan ze naar binnen. Ze zitten maar net of hij zegt: ‘Hier is ook een mug!’
Pets, die is er geweest. Maar een mug is nooit alleen. Na een stuk of tien dode muggen en een paar bloedvlekken op de gesausde muren lijkt het karwei geklaard. Ze gaan slapen. Morgen is er de belofte van zon, het zwemmen in zee en het lekkere eten.
Hij doezelt weg.
Zzzzz, het zal toch niet waar zijn, daar is het tergende geluid van een mug.
‘Ben je nog wakker? Ik hoor een mug.’
Onwillig draait ze zich van hem af en slaapt verder. Hij ligt nog even te luisteren. Dan zwenkt het kreng rakelings langs zijn gezicht op zoek naar een mals plekje om te landen. Woest maait hij met zijn hand in de richting van het geluid. Hij ligt op zijn rug en hoopt, tegen beter weten in, dat het voorbij is. Langzaam dommelt hij in. Opeens voelt hij een stekende pijn in zijn oorlel. Hij grijpt ernaar, mis.
‘Verdomme, ik ben weer gestoken.’ zegt hij luid.
Daar is haar stem, duidelijk verstaanbaar maar met een vreemde intonatie: ‘Dat is je verdiende loon, rotvent.’
Verbijsterd schudt hij aan haar schouder. ‘Wat zeg je?’
Ze wordt wakker en kijkt hem angstig aan. ‘Verdiende loon zei je. Wat bedoel je?’
Met een heel ander stemmetje zegt ze: ‘Achter je, daar zit er een.’ Hij draait zich om en met een klap van de vlakke hand slaat hij de mug plat. Een bloedvlek verschijnt, zo groot, dat hij zich afvraagt, hoe die van één mug afkomstig kan zijn.

Flarden

In het IKEA-restaurant zie ik een man en vrouw elkaar hartelijk begroeten. Ze zijn duidelijk verrast over deze onverwachte ontmoeting. Even later gaan zij aan de tafel achter mij zitten. Ik let er verder niet op en kijk in de winkelcatalogus. Opeens hoor ik de vrouw zeggen: ‘… neurolinguïstiek...’ De rest van de zin gaat verloren, maar het is kennelijk geen koffiepraat. Het gesprek gaat op gedempte toon verder. Weer vang ik iets op: ‘...ouwewijventegeltjes ..’, zegt de man. Ik probeer mij een voorstelling te maken van een conversatie die tussen ‘neurolinguïstiek’ en ‘ouwewijventegeltjes’ past. Verdwaalde woorden die de verbeelding prikkelen.
Een tijdje later maakt het tweetal aanstalten om weg te gaan. De man staat op en zegt goed verstaanbaar: ‘Als je deze dominee hebt uitgezeten, heb je wel een stuk appeltaart verdiend.’ Ze brengen netjes hun dienblad weg en verdwijnen in de wondere wereld van IKEA.
Er zijn mensen die het het niet fatsoenlijk vinden om gesprekken af te luisteren in de trein, een restaurant of bij een bushalte. Maar wie doe je er eigenlijk kwaad mee. Meestal is er geen touw aan vast te knopen.
Intussen ben ik de winkel ingelopen. Ik ben op zoek naar een klein bergmeubel dat ik meen nodig te hebben. Hoe meer meubels ik bekijk, hoe meer ik twijfel aan de noodzaak ervan. Later zie ik de vrouw van de ‘neurolinguïstiek’ terug bij de kassa. Ze heeft handdoeken gekocht en een fotolijst.

Oude man

Een jongen van een jaar of zestien belt bij zijn vriend aan. Zijn moeder doet open en hij loopt zonder te groeten langs haar heen de huiskamer binnen. De vrouw komt hem achterna. Ze kent hem wel als wat bijzonder, maar zo ongemanierd, dat had ze niet achter hem gezocht.
De jongen staat onhandig midden in de ouderwets gemeubileerde kamer. Hij stapt op een grote ficus in een koperen pot af, neemt de punt van een blad tussen duim en wijsvinger en tilt het op. Zich vooroverbuigend kijkt hij onder het vlezige blad en komt direct met opgetrokken neus weer overeind, alsof hij iets smerigs heeft gezien. Dan vraagt hij: ‘Is Johan thuis, mevrouw?’
De oude man voor het raam in het bejaardenhuis herinnert zich het voorval niet, hij heeft zijn hele leven zulke grappen uitgehaald. Net zomin als hij zich herinnert dat hij eens met een liefje bij een vriend logeerde. Het was gezellig geweest en het was laat geworden. Die nacht waren de vriend en zijn vrouw wakker geworden van gescheld en getier uit de logeerkamer.
Hij had even overwogen om erheen te gaan, maar had zich bedacht. De volgende ochtend aan het ontbijt waren de logees de kamer binnengekomen. De vrouw had de uitstraling van een nat pak oude kranten. Haar partner was gewoon aan tafel gaan zitten en om de ongemakkelijke stilte te doorbreken, zei hij: ‘Niet weer zo’n ruzie maken hè, we konden er niet van slapen.’
Later nog, hij was al in de vijftig en behoorlijk dik geworden, bezocht hij op zaterdagmiddag in Amsterdam de overvolle Bijenkorf. Bij een toonbank was hij het wachten op een verkoopster al spoedig beu. Hij had in zijn handen geklapt en ‘VÓLK’, geroepen. Een verkoopster was toegeschoten en had hem direct geholpen.
Dat weet hij allemaal niet meer.
Hij kijkt uit het raam en denkt, het enige wat ik nodig heb om me nog een beetje prettig te voelen is een borrel en wat oude kaas. Voeger waren er vrouwen en ook wel vrienden geweest, die altijd iets van hem nodig hadden.
Wat een gedoe.

Pallet

Met mijn boot maak ik een tocht door de lieflijke Tjongervallei, getooid in talloze groentinten. Aan het eind van de dag meer ik af bij Oosterwolde. Aan de overkant van de vaart ligt een enorme bult zand, keurig vormgegeven door een aannemer in grondverzet.
De zandhoop is, schat ik, vijftig meter lang en een meter of acht hoog. Eigenlijk is er weinig aan te beleven, behalve dan dat hij zo groot is. De avondzon gooit strijklicht over de flank aan mijn kant. Alle oneffenheden worden zichtbaar, maar dat zijn er niet veel. Recht tegenover me is er een ondiepe, verticale deuk in het zand. En dan gebeurt het.
Soms komt het voor dat iets onbenulligs plotseling betekenis krijgt. Halverwege de helling, in die deuk, ligt een gehavende pallet. Voor mijn ogen verandert dit beeld in een symbool van verval en verlies. Dat heeft wat uitleg nodig.
Op een bord naast de zandbult adverteert een projectontwikkelaar met de tekst: ‘Nog nooit was mooi wonen zo bereikbaar'. Onder de tekst zijn drie ‘Artists Impressions’ afgebeeld van wat daar gebouwd wordt. Een twee onder één kap in retro jaren dertig stijl. Een quasi moderne kubus met veel glas. Een suf rijtje van drie geschakelde woningen. Voor elk wat wils. Iets dergelijks kun je hier in de toekomst dus verwachten.
Ik keer me van de buitenwereld af en ga eten, lezen en slapen. De volgende morgen open ik de gordijntjes in de roef. Bij het eerste gordijn kijk ik verbaasd in de onbewogen ogen van twee zwanen die voor mijn boot drijven. Ik sla mijn ogen op naar de zandbult.
De pallet onderscheidt zich nauwelijks meer van het zand. Het beeld is vervlogen. Er loopt nu een lange schaduwlijn als een grafiek over de bult. Langzaam stijgend over tweederde van haar lengte, gevolgd door een scherpe neerwaartse scherpe knik.

Stadsgeluiden

Vanaf het dakterras kan ik in de verte de besneeuwde toppen van de Sierra Nevada zien. Het zal koud en stil zijn daarboven. Hier beneden in Granada is het snikheet.
Het verkeersgedruis wordt plotseling overstemd door het zenuwslopende gehuil van een politiesirene. Het geluid echoot tussen de diepe spelonken van de smalle straten in de oude volkswijk Realeo. Lange, jankende uithalen, onderbroken door series keffende stoten.
Het zal wel noodzakelijk zijn, maar ik ervaar het als overdreven machogedrag. Wat is de reden voor die haast, dat iedereen moet wijken? Een verkeersongeluk? Daar denk je aan, als je tegelijkertijd de sirene van een ambulance hoort.
Is er verschil in urgentie tussen de politie en de ambulance of de brandweer? Zijn orde en veiligheid minder belangrijk dan een bedreigd mensenleven? Dat is natuurlijk onzin. Het is het opgefokte geluid van politiesirenes wat me stoort.
Als het weer rustig is in de straatjes daar beneden, hoor ik in de verte een bongospeler oefenen. Een éénmotorig vliegtuigje bromt traag over de stad.
Het klokje van een nabijgelegen kapel begint te kleppen. In Granada komt het geluid van kerkklokken iedere keer uit een andere richting, er moeten tientallen kerken en kapellen zijn. Ze klinken niet allemaal melodieus.
Sommigen hebben een barst in hun stem, anderen kunnen geen maat houden. Op zondagmorgen davert het gebiedende geluid van zware klokken over de stad. Ze bassen nors, je moet naar de kerk, of je wilt of niet. Kommm, Kommm. Soms klinken ook kleinere klokken dringend. Zij roepen, kom-nu-gauw, kom-nu-gauw. Het klokje dat ik nu hoor heeft een bescheiden, bijna verlegen geluid. Het klept zacht, wel-kom, wel-kom.

Cocon

We ontbijten in Malaga iedere dag in een klein café, waar mensen op weg naar hun werk een kop koffie en een broodje nemen. Ze kennen elkaar en kletsen wat. Er zitten ook altijd een paar oude mannen. Ze drinken één kop koffie en nemen op hun gemak de krant door. Een vrouw zit alleen aan een tafeltje met een glas water voor zich. Verscholen achter haar tas staat een glas likeur.
Later, als we de stad inlopen, zie ik in een winkelstraat twee muzikanten. Ze treden op voor een terras. De één speelt gitaar en de ander zingt. De zanger heeft een tenger postuur en is ruim een kop kleiner dan de gitarist. Hij is oud, ongeschoren en draagt een paars, vilten hoedje. Met schorre stem zingt hij een volksliedje, de armen gespreid en de handpalmen naar de hemel gericht. Zo nu en dan draait hij met een paar sloffende pasjes om zijn as.
De zanger gaat helemaal op in de muziek, hij is zich onbewust van de plaats van handeling. Dit is niet zijn wereld, de terrassen en de modieuze kledingzaken. Hij heeft er niets te zoeken dan de toerist die soms een munt in het geldbakje gooit. Sommige terrasbezoekers kijken naar hem, maar de meeste mensen zijn met andere dingen bezig. Hij merkt het niet op. Zijn nietige gestalte is omgeven door een onzichtbare cocon.
Hij droomt met open ogen dat hij voor zijn eigen mensen optreed.

Gulden

Op een plein in Granada in Spanje, worden we in het Engels aangesproken door een man in een donker kostuum. Hij vraagt ons of we weten waar de bank van Libanon is. Ik ben toerist, voegt hij eraan toe. Ik antwoord naar waarheid dat ook wij toeristen zijn en onbekend met de Libanese bank. Waar komen we dan vandaan, wil hij weten?
Nederland.
Hij begint te stralen en kust de hand van mijn vrouw. Ik heb een broer in Amsterdam, daar wil ik graag naar toe, maar dan heb ik een visum nodig. Hij haalt zijn portefeuille te voorschijn en toont ons een exotisch bankbiljet. Het zullen wel Libanese valuta zijn. Ik vraag hem naar de waarde in euro's. Dat weet hij niet, zestien dollar, zegt hij. Dan vraagt hij mij naar ons Nederlandse geld, of hij dat mag zien.
Ik neem uit mijn portefeuille een biljet van twintig euro. Hij is niet tevreden, hij wil een gulden zien. Terwijl ik uitleg dat er in de meeste landen van Europa alleen nog euro's voorkomen, legt hij zijn hand om de mijne en pakt alle biljetten uit mijn portefeuille.
Tussen vingers en duim waaiert hij de bankbiljetten open als een spel speelkaarten. Hij gesticuleert uitbundig met mijn geld en herhaalt zijn vraag naar de gulden, de munt. Ik leg het opnieuw uit, over Europa en de euro. Dan begrijpt hij het, er bestaat geen Hollandse gulden meer.
Hij vouwt de waaier van euro’s dicht en schuift de biljetten achteloos in mijn portefeuille. Na een uitbundige groet, kust hij nogmaals de hand van mijn vrouw en vervolgt zijn weg.

Van de andere kant

Het stadje Exmouth ligt, het zal u niet verbazen, aan de monding van de rivier de Exe in County Devon, UK. Ik loop er graag langs het strand naar een kleine baai. Bij eb vallen de schepen droog, wat oudere jachten en een paar vissersboten. Tussen de drooggevallen, hulpeloos op hun zij liggende schepen, scharrel ik wat rond.
Nadat ik wat heb rondgekeken, wandel ik verder over het strand. Boven mij ruïneert een nieuwbouwcomplex de kustlijn. De boulevard is ter plaatse voorzien van een massief, betonnen uitsteeksel dat als belvedère is bedoeld. Daarop staat een figuur die mijn aandacht trekt, ze wordt gedeeltelijk aan het oog onttrokken door een borstwering. Het is een oude, magere vrouw met een hoedje op. Ze heeft niets kwetsbaars of hulpeloos, ze staat fier rechtop en houdt haar hand boven de ogen. Ze tuurt over zee, maar voor mij lijkt het of ze salueert. Ook haar lichtblauwe regenjas, die met een brede ceintuur ferm om haar middel zit gesnoerd, draagt bij aan die militaire indruk. Het lijkt wel of Engeland patent heeft op dat soort ijzeren dames. Ze kijkt niet bepaald vriendelijk als ze me opmerkt, daar beneden op het strand. Ik wend me af en loop door en wat later besluit ik terug te keren. Er is een trap naar de boulevard. Ik ga naar boven. Daar zie ik het tafereel van de andere kant. De oude dame staat nu gebogen over een rolstoel waarin een man zit. Ze geeft hem te drinken uit de dop van een thermosfles die op de borstwering staat.

Tafelzilver

Als medewerker van een museum waren de openingen van tentoonstellingen mij vaak een gruwel. Eén daarvan was de opening van een tentoonstelling van 18de eeuws tafelzilver. Een groep mensen luistert naar een spreker achter een katheder. In de vitrines staan overdadig bewerkte serviezen, die niet bedoeld zijn om van te eten. De spreker prijst het verfijnde vakmanschap waarmee de objecten zijn vervaardigd. Hij is van mening dat zij recht doen aan de elegantie van de 18de eeuw. Ook roemt hij de vermogende klasse, die de ambachtslieden opdrachten gaf.
Hij is lang van stof en mijn aandacht verslapt. Als ik weer luister, denk ik: Wat hij nu zegt heb ik al eens gehoord. Ik besef dat hij waarschijnlijk steeds hetzelfde zegt, in iets andere bewoordingen. Zo rekt hij de magere inhoud op tot een acceptabele lengte. En ja hoor, daar komen de kundige ambachtslieden weer voorbij, gevolgd door de nobele notabelen. Hij draait rondjes alsof hij aan het kunstschaatsen is, dacht ik toen. Om mij heen kijken mensen elkaar veelbetekenend aan. Houdt dit ooit nog eens op? De directeur van het museum, die vlakbij de katheder staat, kucht maar eens om zijn aandacht te trekken. Het signaal komt niet over.
De spreker pauzeert alleen maar om adem te scheppen voor een nieuwe serie verbale krullen. Opeens begint er iemand te klappen. De hele zaal volgt onmiddellijk en de spreker krijgt een daverend applaus. Hij kijkt geschrokken op en wil nog iets zeggen, maar de toehoorders spoeden zich al naar de tafels met hapjes en drankjes.

Artsenbezoeker

In de wachtkamer van een huisarts zitten een man en een vrouw. Hij is gekleed in een keurig pak met stropdas. Tegenover hem zit een geblondeerde vrouw in een flamboyante jurk met opzichtig decolleté.
De deur van de wachtkamer gaat open en de dokter nodigt de vrouw uit om met hem mee te komen. Hij kent haar al jaren en weet wat ze komt doen. Ze mankeert niets, ze zoekt aandacht. Hij neemt de tijd voor deze patiënt, ook al omdat hij geen zin heeft in de artsenbezoeker in de wachtkamer. Als ze eindelijk vertrekt, zit de man daar nog steeds.
Weer terug in zijn kamer belt hij de assistente. Hij vraagt haar de man weg te sturen. Ze gaat de wachtkamer in en zegt dat het spreekuur is uitgelopen. De dokter moet nu op huisbezoek.
Het overkomt hem wel vaker maar hij raakt er nooit aan gewend. Ze laten hem drie kwartier wachten en dan wordt hij als een kleine jongen weggestuurd. Andere keren nam de dokter maar al te graag de kleine en soms grotere attenties aan, die hij in opdracht van zijn baas weggaf.
In de auto krijgt hij pas echt de pest in. Die rotlui met hun hautaine houding. Hij heeft er ineens genoeg van. De laatste klant van vandaag kan de pot op, hij kan het niet meer opbrengen. Hoe is het toch zover met hem gekomen?
Hij rijdt naar de kust en parkeert zijn auto op de boulevard en stapt uit. Boven het loodgrijze water hangt een al even sombere lucht. Hij trekt zijn jasje dichter om zich heen en huivert.

Ballet

Ik sta wat glazen en kopjes af te wassen. Het is laat geworden gisteravond, ik voel me nog wat katterig. Boven het aanrecht omkadert het raam een stuk van de tuin, de straat en de boomgaard van de overbuurman.
Buiten is het guur februariweer. De kerkklok heeft net opgeroepen tot de zondagsdienst. Even later komen groepjes in keurige winterjassen gestoken mensen voorbij. Sommige ouderen klemmen een gezangbundel onder hun arm. Ik weet dat straks het geluid van de samenzang tot in de keuken zal doorklinken.
Het is weer stil op straat.
Alleen de hondenbezitters komen nog af en toe langs op hun verplichte rondes. De meesten van hen ken ik wel van gezicht of van hond. Daar komt de lange dame met haar opgewekte whiskyhondje voorbij. Hij dribbelt achter haar aan en heeft geleerd niet al te vaak onverwacht te stoppen. Vervolgens sjouwt een grijs bebaarde man in een sportief jack langs. In zijn kielzog sjokken twee enorme, langharige lobbesen braaf mee.
Met haastige pas verschijnt nu een dame in mijn gezichtsveld. Zeker een verlate kerkganger. Opeens maakt ze een halve draai, ze buigt zich voorover en zwaait vervolgens haar beide armen in de lucht, als in een juichkreet. Om haar evenwicht te herstellen maakt ze een buiging in tegengestelde richting en veert, niet zonder gratie, weer op. Ze kijkt achterom en lijkt een beetje geschrokken van haar eigen capriolen.
Een dikke, grijze hond sjokt het beeld in, en dan wordt het duidelijk. Ze zitten met een dunne, zwarte draad aan elkaar vast.

Cadeauverpakking

We lopen door de besneeuwde duinen van Ameland. De sneeuw ligt in vegen op plekken in de luwte, elders is het verwaaid. Dit barre landschap versterkt het eilandgevoel, al zijn we zijn slechts door een strook drijfijs van het vasteland gescheiden.
Op weg naar ons logeeradres stoppen we bij de slijterij in het dorp. We worden begroet door een stevige jongeman met het voorkomen van iemand die veel in de buitenlucht werkt. Je zou hem eerder op een viskotter verwachten dan achter een toonbank.
We zoeken een fles whiskey uit voor onze gastheer. Als ik wil afrekenen zegt mijn vrouw: ‘Kunt u er ook een mooi papiertje om doen, het is een cadeau.’
‘Natuurlijk mevrouw.’ Hij kijkt er niet opgewekt bij.
Toch zet hij zich zonder morren aan het karwei. Papier, zwart aan de ene kant en zilver aan de andere, is het basismateriaal. Hij scheurt er een stuk vanaf en vouwt een rand van een paar centimeter om. Daar gaat hij mee aan de slag. Doos erin rollen, bodem dichtvouwen en vastplakken. Vervolgens bindt hij veelkleurige linten om het pak en trekt ze met speciaal gereedschap tot vrolijke krullen.
We volgen zijn verrichtingen met belangstelling. Dan komt de apotheose, het werk is bijna geklaard. Met een schaar moet hij nu het uitstekende papier aan de bovenkant tot een feestelijke bekroning knippen. Ik zie de wanhoop op zijn gezicht. Het resultaat lijkt op boerenkool nadat de konijnen langs zijn geweest. Evenzogoed overhandigt hij ons de fles met een vorstelijk gebaar.

Rokspuit

Op weg naar huis loop ik door de Tjotterstraat.
Mooie naam, Tjotter.
Tjotters gebruikte men in Friesland voor kleine transporten en later ook voor de pleziervaart. Ze bezitten een zekere boerse elegantie en hun bolle vormen zijn met liefdevol vakmanschap gebouwd. Dat vind je in deze jaren '70 straat niet terug.
Noch het een noch het ander.
Sinds een paar jaar wordt er door de huiseigenaren in de wijk veel gerenoveerd. Ze brengen in hun huizen meer eigentijdse luxe en betere isolatie aan. Ik loop voorzichtig tussen een half op de stoep geparkeerde klusbus met aanhanger en een tuinhekje door. De deur van het huis staat wagenwijd open.
Een onrustig flikkerend licht achter de ramen trekt mijn aandacht. Binnen draait op een driepoot een modern waterpasinstrument rond. Een oranjerode bundel laserlicht tekent een scherpe, volmaakt horizontaal lopende lijn over het object in aanbouw. Een wonder van vernuft.
Toch is het principe niet nieuw.
Mijn geliefde beschreef mij de volgende scène. Toen zij een jaar of dertien was, maakte ze met bakvisachtige creativiteit haar eigen kleren. Als een rok of jurk op de juiste lengte afgespeld moest worden, riep ze haar moeder te hulp.
In de huiskamer trok moeder de tafel onder de lamp weg. De dochter ging op tafel staan en moeder pakte de rokspuit. Het toestel bestond uit een stang op een voetstuk. Daaraan was een brede spuitmond bevestigd. Een gummibal met slang completeerde het geheel. In de bal zat krijtpoeder. Het toestel werd op de juiste roklengte ingesteld.
De dochter draaide op kousenvoeten in de rondte, op muziek van de radiodistributie. Moeder kneep in de gummibal en een dunne witte lijn verscheen op de rok. Voilà.

Columnist

Lui ligt hij in het gras van de lommerrijke tuin bij het vakantiehuis. Hij geniet van een glas witte wijn.
Het is goed even weg te zijn. De laatste tijd kost het hem moeite om de juiste toon te vinden voor zijn columns in de krant. Na het tweede glas komt hij overeind om naar binnen te gaan. Terwijl hij zich omdraait doet hij een stap. Er kraakt iets onder zijn voet. Hij kijkt naar beneden, maar ziet niet waarop hij heeft getrapt.
‘Wel verdomme, waar is mijn bril?’
Hij gaat door de knieën en hoopt dat het niet waar is. Dan vindt hij het wrak van zijn dure designbril. De aangename dag vervliegt. Met beide ogen min zes wordt de wereld plotseling een stuk minder helder. Hij gaat, gedeeltelijk op de tast, naar binnen. Eva, zijn vriendin, staat aan het aanrecht. Als hij het haar vertelt, kijkt ze hem nadenkend aan.
Weer buiten kan hij niet verkroppen wat hem is overkomen. Zoiets stoms. Hij besluit tenslotte: Deze dag is te mooi om te verpesten.
Zal ik gaan leven zonder bril? Zo nu en dan tenminste, en beschrijven wat ik zie. De harde realiteit verdwijnt uit het zicht en een glimp van een andere werkelijkheid verschijnt.
Hij ziet het al voor zich.
Een gedaante in de verte interpreteert hij als een wonderschone vrouw in een lang gewaad. Ze heeft haar hoofd gebogen, ze huilt. Als ze hem passeert blijkt het een oude man in een verschoten regenjas.

Postaçi

De man loopt in gedachten door een park. Als hij opkijkt wordt zijn blik getrokken door bruine slingers, die tussen de kale takken van een boom hangen. Dichterbij gekomen grijpt hij een eind van het lint vast. Geluidsband uit een cassette, hij herkent het direct. Hij trekt eraan en heeft een stuk in handen.
Tientallen cassettes heeft hij gevuld met muziek van LP’s of gekopieerd van vrienden. Nu heeft hij een onverzadigbare iPod waar vierduizend nummers op passen.
Intussen heeft hij voorzichtig trekkend nog een aantal meters uit de boom ontward. Hij wikkelt de band om een stuk karton. Uiteindelijk zit het vast. Hij twijfelt, hij wil het al weggooien. Je kunt er toch niets mee.
Dan bedenkt hij zich. Hij reikt zo hoog hij kan en breekt de tape tussen zijn nagels af. Het intrigeert hem. Wat zal erop staan, vast niks bijzonders. Misschien is het Bob Dylan, die zingt: The answer my friend is blowing in the wind. Maar wat het ook is, hij wil het weten.
Thuis duikelt hij een oude cassette op met muziek die allang op zijn iPod staat. Hij maakt hem open en haalt de band eruit. Dan volgt het eindeloze gepruts om de gevonden band er goed in te krijgen. Tenslotte lukt het hem. Ook zijn walkman doet het nog.
Vol verwachting start hij de band.
Een slepende vrouwenstem met een folkloristische begeleiding van fluiten en een snaarinstrument klinkt in de koptelefoon. Hij heeft nog nooit iets dergelijks gehoord en hij herkent ook de taal niet. Het enige woord dat hij opvangt is ‘postaçi’, dat telkens in het refrein opduikt.
Postaçi, het woord ‘post’ komt in veel talen voor. Bezingt zij de frivole avonturen van een postbode tijdens zijn dagelijkse ronde?

© Allaard Hidding 2010