Kus

Vroeger reisde je in Friesland met busonderneming de Fram, de Friese Autobus Maatschappij. Daarmee ging ik gedurende een jaar van Leeuwarden naar mijn werk in Drachten.
Op een warme zomerdag stopt de bus bij de halte Opeinde-De Pein en daar zie ik het volgende tafereel. Een jong stelletje, hun tengere lijven gekleed in spijkerbroek en T-shirt, nemen afscheid van elkaar. Ontroerend, zo teder als ze elkaar een kus geven.
De geliefden zetten hun helmen op, voordat ze met hun brommers ieder een andere kant op zullen gaan. Ze dragen integraal helmen, van die plastic bollen met één opening voor de ogen, neus en mond. Met de brommers tussen hun knieën geklemd, willen ze elkaar nóg een laatste kus geven. De helmen verdraaien tot ze haaks op elkaar staan en de openingen schuiven in elkaar. Dan vertrekken ze in tegengestelde richting.
Opeinde-De Pein, ik kijk naar buiten.
Er komt een paar langs met een een kind tussen hen in. Ze trekken mijn aandacht omdat zij een kop groter is dan hij, dat zie je niet zo vaak. De man houdt even in en heft het hoofd op naar zijn vrouw. Ze buigt zich over het kind heen naar de man.
De bus trekt op met een schok.

Gesprek

De dames zitten tegenover elkaar met amper een handbreedte tussen hun beider knieën. Deze intieme situatie stoort hen niet. In een trein zit je nu eenmaal zo. Eén van hen leest een boek, leesbril voor op de neus. Dat is de situatie als zij een moment opkijkt en hun blikken elkaar kruisen.
‘Dat is een mooi boek dat u daar leest, dat heb ik ook gelezen.’
‘Ja, heel boeiend.’ zegt de lezeres neutraal.
‘Bent u al bij het gedeelte dat hij dood wordt gevonden en zij van moord wordt verdacht?'
‘Ja, daar ben ik net aan toe.’ Ze maakt aanstalten om verder te lezen. Het wordt haar niet gegund.
‘Het is echt heel spannend hoor, maar ik ga u niet verklappen wie het heeft gedaan, dan is er niks meer aan.’ De vrouw gaat door over van alles en nog wat. Ze doet uiteindelijk haar boek dicht en legt het in de schoot. Daar krijgt ze spijt van.
De dame ratelt verder en verzeilt in een kluwen verhalen en meningen zonder verband. Mijn god, hoelang gaat dit nog duren?
‘Moet je nagaan hoe het toegaat in de regering, ze willen de AOW afschaffen. Dat kan toch niet, vindt u wel?’
Dit is haar kans.
‘Nou mevrouw, dat klopt ook niet. Ze willen de rijke bejaarden mee laten betalen aan …’ Ze stopt verbaasd. De ander luistert niet, integendeel, ze praat met een hoger volume gewoon door.
‘Mevrouw, ik wil eigenlijk gewoon mijn boek lezen, begrijpt u wel.’
De dame kijkt haar verstoord aan en schudt bestraffend haar vinger: ‘Uh-uh-uh’, en gaat door met haar verhaal.

Borduren

Op het balkon van een vakantieappartement zit een vrouw te borduren bij het licht van een staande schemerlamp. Haar tijdelijke huiskamer zweeft in het duister van een Portugese oktoberavond. IJverig zoekt haar naald naar de volgende steek in de voorbedrukte voorstelling. Steekje na steekje bouwt ze de voorstelling op. Avond aan avond zit ze daar en borduurt. Het oorverdovende geluid van krekels lijkt haar niet te hinderen.
Overdag doet ze met haar man vakantiedingen. Ze zwemmen, zonnebaden en gaan uit eten. Vandaag hebben ze een overdekte markt bezocht in een naburige stad, de kramen waren overdadig gevuld met groenten en fruit. Oude vrouwen boden bij de ingangen vijgen en levende kippen aan.
Bij een viskraam heeft ze naar een krab staan kijken. Hij stond in een stalen bak tussen levenloze soortgenoten. Het dier wiegde op zijn poten, de scharen torste hij machteloos voor zich uit. Zijn ogen op steeltjes bewogen onrustig heen en weer. Het schelle zwembadgeluid van de markthal begeleidde het tafereel.
Die avond zit ze weer op het balkon. Het tafelkleed dat ze borduurt, is bestemd voor de kerstmaaltijd, nu alweer over twee maanden. Ze wil het deze vakantie afmaken, omdat ze er thuis de rust niet voor vindt.
Af en toe denkt ze aan de komende feestdagen. De kinderen thuis om de tafel, de gezelligheid van het samen koken en eten. Haar zoon Job zit in de voorkamer te praten met haar man, over werk en andere zaken.
‘Kom toch jongens.’ Ze moeten nu echt aan tafel komen.

Warme bakker

Op zaterdagmorgen staat bij de bakker in het dorp de winkel vol mensen. Ze wachten geduldig op hun beurt. Een vrouw overweegt, zonder een spoor van haast: ‘Van een taart kan je net zoveel stukken snijden als je nodig hebt, maar voor iedereen een taartje is gezelliger.’ Een jongeman snapt niet hoe je aan het kopen van gebak zoveel woorden kunt verknoeien.
De mensen staan op een kluitje voor de toonbank, een nieuwkomer voegt zich bij hen. ‘Wie is de laatste, aha, dan ben ik na u.’ Er komt een hoogblonde vrouw binnen. Ze groet niet en niemand groet haar. Ze kiest positie terzijde van de anderen. De jongeman dwaalt weg met zijn gedachten naar de tweedehands auto die hij heeft gekocht. Een Opel Manta, die wil hij puntgaaf opknappen. De groep beweegt en hij kijkt op. De geblondeerde vrouw wordt geholpen. Hoe kan dat nou? Ze is zeker drie of vier klanten na hem binnengekomen. Niemand zegt er iets van.
Hij voelt een golf van ergernis opkomen, wat denkt die trut wel. Protesteren heeft geen zin, de vrouw rekent al af. Hij gaat naar de deur en legt zijn hand op de klink. De vrouw torst een stapel dozen en zakjes.
‘Zal ik u even uitlaten, Mevrouw?’
Ze knikt en wacht tot de deur open gaat. Dat gebeurt niet.
‘Komt er nog wat van?’
‘Er zijn nog vier wachtenden voor u.’ antwoordt hij lijzig.

Quatro Estradas

Op de kleine, door rotsen omsloten stranden van Praia do Vau is het goed toeven. Je vindt er zowel zon als schaduw en half oktober kun je er nog lekker in zee zwemmen.
Na een paar dagen van dit zorgeloze leven begint het toch te schuren. Waar wonen de Portugezen die hier werken? Er zijn in de omgeving alleen hotels en appartementen voor toeristen. Op een morgen besluit ik te voet de weg te volgen, die haaks op de kust het binnenland invoert. Ergens moeten toch normale vormen van bestaan te vinden zijn. Dat valt nog niet mee, de argeloosheid van de strandgenoegens maakt al gauw plaats voor pompeuze Golf Resorts. Alle aanplant is frisgroen, wat onnatuurlijk is voor de tijd van het jaar. De vraag blijft waar de mensen wonen die dit in stand houden. Dan bereik ik een kleine nederzetting bij een rotonde, Quatro Estradas genaamd. Het bestaat voornamelijk uit nieuwbouwflats, de oudere woningen zijn ingestort of verlaten.
Uit de schaarse naambordjes blijkt dat hier Portugezen wonen. Veel flats staan echter leeg en de meeste zijn, zo te zien, nog niet bewoond geweest. Door dit troosteloze decor loop ik terug naar de rotonde.
Achter mij echoot plotseling het geklikklak van paardenhoeven. Ik draai me om, een geel geverfd karretje op grote, houten spaakwielen rijdt voorbij. Er zitten twee jonge Portugezen op, waarvan één het trekpaard ment terwijl de ander een tweede paardje, los aan de teugel, met zich meevoert.l

Bassist

Een fietser zwiert met één hand aan het stuur de veerpont op die van de NDSM werf naar het Centraal Station vaart. Met zijn andere hand houdt hij een contrabas op zijn rug onder controle. Perfect in balans komt hij met één voet aan het dek tot stilstand.
Dat doet hij vaker.
Ik draai me om en kijk uit over het IJ. We varen. Ver weg, boven het schitterende water, staat het langgerekte silhouet van het Centraal station. Daar aangekomen zet ik door de hectische mensenmasssa koers naar de Openbare Bibliotheek van Amsterdam.
Voor het gebouw tref ik een aantal wachtenden aan. Het is kwart voor tien, een kwartier voor openingstijd. Sommigen zitten op de trappen voor het gebouw met een koptelefoon op of oortjes in, anderen staan voor de draaideur.
Alsof het zo moet zijn, komt daar de man met de contrabas aan. Hij zet zijn fiets vast aan een hek en voegt zich bij de wachtende menigte. Er zijn nog tien minuten te gaan. Een portier van de bibliotheek komt met een bekertje koffie door een zijdeur naar buiten, observeert de situatie een paar minuten en verdwijnt weer.
Een politieauto stopt en twee stevige agenten stappen uit. Ze gaan naar de man met de bas en spreken hem aan. Hij kijkt wat schuw op en haalt een geplastificeerd document tevoorschijn. De agenten nemen het, de één na de ander, aandachtig door en bellen met hun mobiel. Uiteindelijk vertrekken ze weer.
De grote draaideur gaat open en de mensen komen in beweging. Vlak voor mij stapt de man met de contrabas naar binnen. In de hal verdwijnt hij met de roltrap hemelwaarts voorgoed uit mijn gezichtsveld.

Heart of Gold

‘Vanmiddag ga ik paardrijden.’ zegt de man tegen zijn vrouw. Ze reageert niet en dat is ook niet nodig. Het is een flauw grapje. Hij loopt de deur uit en koppelt de trailer aan de auto. Uit de boxen haalt hij zijn favoriete paard en leidt haar erin.
Hij is op weg naar een bevriende paardenliefhebber in de omgeving, waarvan hij een stuk grasland huurt. Onderweg gaan er wat losse gedachten door hem heen. Paarden maken tegenwoordig meer kilometers in een trailer dan ze lopen, bedenkt hij. Er zijn in deze omgeving heel wat boeren en anderen die paarden houden, maar je ziet ze er zelden op rijden. Meestal zijn het jonge meisjes. Soms jonge vrouwen, eigenlijk nooit jongens en zelden volwassen mannen.
Zelf rijdt hij ook bijna niet, hij heeft voldoende aan de dagelijkse verzorging van de dieren en aan de omgang met andere paardenliefhebbers. Hij draait het ruime erf op van zijn vriend.
Via de achterdeur gaat hij de boerderij binnen en roept: ‘Hallo, iemand thuis?’ Er komt geen antwoord. Ook in de woonkeuken is niemand te zien, hij luistert.
In een aangrenzende kamer staat een radio of TV aan. Er is wat gestommel, gelach van publiek en een mompelende stem te horen. Hij klopt op de deur, geen reactie. Voorzichtig duwt hij de deur open. Op het bureau laat de PC onduidelijke beelden op YouTube zien. Dan volgen een paar gitaarakkoorden en een mondharmonica. Hij weet direct wat het is, Neil Young zingt 'Heart of Gold'. Ze hebben het indertijd grijs gedraaid, toen de toekomst nog vormeloos was en carrière een vies woord. Verzonken in herinneringen blijft hij staan. Zijn vriend tikt hem zacht op de schouder en zegt: ‘Mooi, hè.’

Drogisterij

‘Goedemorgen, wat kan ik voor u doen?’ Haar opgewekte, heldere stem richt zich tot de oudere heer tegenover haar. Hij is aan de beurt maar schrikt toch een beetje van de directe vraag.
‘Eh, ja, ik heb een vlek in mijn overhemd, die gaat er in de wasmachine niet uit. Kijkt u zelf maar.’ Hij haalt wat schutterig een stuk van het overhemd uit zijn tas. ‘Heeft u daar wat voor?’ Ze bekijkt de vlek en denkt – een man alleen, die komen met zulke vragen –. ‘We hebben een middel dat u op de vlek moet druppelen, vóór het in de wasmachine gaat.
Dan volgt een dame die uitgebreid vraagt naar middeltje wil tegen jeuk op het hoofd. Haar verhaal gaat naadloos over in de problemen van haar zuster. Astrid grijpt in: ‘Misschien kan deze shampoo u helpen, niet teveel ervan gebruiken en goed uitspoelen.’ Mevrouw rekent zonder verdere uitweiding de shampoo af en gaat weg.
In de omgang met haar collega’s is Astrid wat losser, maar wel duidelijk. ‘Marga, je vindt het maar niks dat je vriendin niet meer langskomt en net zeg je dat je bijna nooit thuis bent.’ Zelf vertelt ze niet graag over haar privé leven. Dat gaat anderen niks aan, vindt ze.
Dit is een gewone dag en om zes uur verlaat ze de winkel. Ze doet een boodschap bij de supermarkt en gaat naar huis. Als ze thuiskomt, gaat ze op de bank zitten. Ze neemt de poes op schoot en aait haar. Lapje begint te spinnen. Ze ziet de brief van Patrick die open op tafel ligt. Dan verbergt ze haar hoofd in de vacht van Lapje en klemt haar zo stijf tegen zich aan dat het dier zich luid miauwend loswringt.

Handel

Opgenomen in de menigte voor het grote warenhuis voelt hij dat er iets staat te gebeuren. Een tegendraadse beweging in de massa, kreten en wijzende armgebaren. Hij kijkt naar boven en daar, op een richel, staat een man die zich met één hand vasthoudt en wankelt.
Hij weet wat hem te doen staat. In het warenhuis neemt hij de roltrap. Op de tweede verdieping in de toiletten staat een deur, met het opschrift 'DIENST', op een kier. Hij kijkt en ziet het open raam. Zonder te aarzelen klimt hij naar buiten en laat zich zakken tot hij de richel voelt.
De menigte beneden reageert direct: ‘Ooohh’. Hij zoekt de man met zijn ogen. Deze zwaait gevaarlijk uit en roept met overslaande stem: ‘Ga weg jij, of ik spring.’ Rustig en duidelijk zegt hij: ‘Je wilt helemaal niet dood.’
‘Weg, weg jij of ik doe het.’
‘En dan lig je dood beneden en je wordt opgeborgen in een koelkast. Morgen is iedereen je vergeten.’
In de verte zijn de sirenes al in aantocht, er is nog maar weinig tijd. ‘Kom mee, we gaan een kop koffie drinken, dan leg ik het je uit.’ Hij neemt hem mee naar een café waar ze gaan zitten.
‘Kijk, je voelt je buitengesloten. Je wilt aandacht maar je pakt het verkeerd aan. Iedereen wil zijn portie aandacht en de meeste mensen willen die ook jou wel geven. Het is een soort ruilhandel. Jij geeft aandacht en je krijgt er aandacht voor terug.’
Een ongelovige uitdrukking trekt over het gezicht van de ander. ‘Wat lul je nou, handel! Dat zal ik niet weten. Ik handel mijn hele leven al in alles wat los en vast zit.’ De man springt kwaad op, keurt hem geen blik meer waardig en loopt het café uit.

Filatelie

Een man zit moedeloos aan zijn bureau. Het bestuur van de postzegelclub heeft hem gevraagd een speech uit te spreken tijdens de jaarlijkse vergadering. Hij kan er niet onderuit.
Wat bindt hem eigenlijk aan deze groep mensen?
Zijn blik dwaalt over het bureaublad op zoek naar inspiratie. Die blijft hangen aan een ouderwets vergrootglas dat daar al jaren ongebruikt ligt. Hij pakt het op, veegt het stof van de lens en houdt het boven een krant. De letters lijken groter en krijgen rafelige randen. Als je goed oplet, zie je langs de randen van het glas vage, rode en groene contouren rond de letters en ze vervormen ook een beetje. Het verschijnsel heet kleurschifting of deftig, chromatische aberratie.
Hij laat het begrip door zijn binnenwereld rondcirkelen. Je zult het maar onder de leden hebben, denkt hij. Chromatische aberratie.
Ineens weet hij wat hij zal gaan zeggen in de vergadering. Na de gebruikelijke plichtplegingen en grappen, die hem nu zo maar te binnen schieten, zal hij ze vertellen over zijn zeldzame ziekte.
Hij heeft altijd met vreugde aan de vereniging deelgenomen maar het is voor hem helaas verleden tijd. Filatelie is onmogelijk als je vervormde beelden ziet en kleurige randjes waar ze niet zijn. En dan zal hij gaan, de groep een moment verslagen achterlatend. Maar al spoedig hervinden ze zich. Niemand zegt het hardop, maar menigeen denkt het. Hij was altijd al een beetje een rare.